Tim Krabbé: „In Frankrijk zou een boek als dit toch niet verkopen. Fransen zijn zo chauvinistisch dat ze vinden dat een Hollander niets over hun sport kan beweren.”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Tim Krabbé over De Renner: ‘Het boek is 42 jaar oud, maar leeft nog steeds’

Tour de France | Tim Krabbé De Mont Aigoual is bekend door De Renner, het boek van Tim Krabbé. De berg is voor het eerst als finishplaats opgenomen in het parcours van de Tour.

De Mont Aigoual, zegt Tim Krabbé (77), is op zich een oninteressante berg. De op een na hoogste van de Cevennen, met 1.567 meter, maar echt hoog is dat niet, en steil ook al niet, met een gemiddeld stijgingspercentage van 6 procent. Zijn lezers hebben de col mystiek gemaakt. Hij kan het ook niet helpen.

Donderdag eindigt de zesde Touretappe er, voor het eerst in de geschiedenis. Wielerliefhebbers kijken er vol verwachting naar uit. Krabbé gaat het volgen achter de tv, in zijn appartement op de negentiende verdieping, met uitzicht over het IJ in Amsterdam. Leuk, ze zullen zijn naam noemen, bij de Nederlander én de Belg. Hij had een uitnodiging van De Avondetappe verwacht, maar die bleef uit. Van Vive le vélo hoorde hij ook al niets. Misschien omdat pas zo laat duidelijk werd dat de Tour doorging.

De wielerwedstrijd die hij beschrijft in De Renner, het boek dat in 1978 uitkwam en een klassieker werd, heet de Ronde van de Mont Aigoual, maar finisht daar niet. Het parcours liep langs de top. De streep lag na een afdaling in Meyrueis, een plaatsje met achthonderd inwoners. ‘Wedstrijd nummer 309’ eindigde in een sprint. Krabbé werd tweede. Als hij gewonnen had, was het boek er niet gekomen. Het werd in Nederland een kwart miljoen keer verkocht. En ook in Engelstalige landen werd The Rider cult.

Had u verwacht dat het boek zo groot zou worden?

„Nee, maar het onderwerp was interessant. Ik schreef het, in één winter, met de oer-inspiratie van een schrijver: Bereisde Roel zag op zijn reizen ...”

Wat heeft het boek u opgeleverd?

„Een plaats in het cyclisme. Ik beteken iets in de wielerwereld. Welke druk heb je daar in je handen?”

De vierentwintigste.

„Je bedoelt de vierenvéértigste. Ik heb dit boek 42 jaar geleden geschreven en het leeft nog steeds. Het is ouder dan jij. Dat hebben niet zo veel schrijvers. En ik heb met Het Gouden Ei nog zo’n boek.”

Kunt u het succes verklaren?

„In veel sportromans wordt de sport als excuus gebruikt om iets sociaal relevants te zeggen. Iets psychologisch, filosofisch. Dit gaat alleen over een wielerwedstrijd.”

U bent alleen nooit onderscheiden.

„Dat is iets vreemds in mijn carrière. Het steekt. Ik heb alle soorten succes gehad, maar geen prijs. Mijn boeken hebben niet de longlist van literaire prijzen gehaald. Dus kennelijk maak ik geen literatuur.”

Waar plaatst u De Renner in uw oeuvre?

„Het heeft een dubbelleven. Het is een wielerboek, en een gewoon boek. Het wordt veel gelezen door mensen omdat het over wielrennen gaat, en door mensen omdat het een goed boek is.”

Herleest u het wel eens?

„Ik heb veel met vertalingen te maken gehad, en daar bemoeide ik me mee. Het is in vele talen uitgebracht.”

Niet in het Frans?

„Nee. Vier jaar geleden wilde een Franse uitgeverij het uitgeven. Ik zei: ik wil een proefvertaling zien. Want ik weet dat Fransen bloemrijk vertalen. Maar je moet in die taal doen wat ik doe!” Hij pakt De Renner, en begint te bladeren. „Wat hadden ze ook alweer gedaan. Hier. Als ik die sprint nafiets, in het begin. Daar staat: hier ga ik op kop, bocht, bocht, paf. Daar hadden ze van gemaakt: un virage, et encore un virage. Sodemieter nou toch op! Dat staat er niet. Gewoon: virage, virage. Daar is het toen op stuk gelopen.”

Is dat niet jammer?

„Ik heb er geen seconde van wakker gelegen. In Frankrijk zou een boek als dit toch niet verkopen. Fransen zijn zo chauvinistisch dat ze vinden dat een Hollander niets over hun sport kan beweren.”

Krabbé kwam ooit voor de liefde in de Cevennen terecht, een bergketen in het Centraal Massief. De ouders van zijn toenmalige vriendin hadden een huis in Anduze, de plek waarnaar hij vele zomers terugkeerde. Het zal in 1971 zijn geweest, twee jaar voordat hij met wielrennen begon, dat hij vanuit het bos langs de Col d’Uglas een wielrenner voorbij zag rijden, in een rood shirt, de handjes op het stuur. Of het hard ging weet hij niet meer, maar de kerel straalde kracht uit. Dat wilde hij ook.

In veel sportromans wordt de sport als excuus gebruikt om iets sociaal relevants te zeggen

In wielrennen was hij geïnteresseerd geraakt door een klasgenootje, die onderweg naar de schooltuintjes wist uit te leggen dat niet etappewinnaar Hans Dekkers de Tour van 1952 had gewonnen, maar de Italiaan Fausto Coppi. Het jaar erop kocht hij bladen over de Tour, waarin je de uitslagen kon bijhouden. Doet hij nog weleens, bij bergetappes. Dan schrijft hij de tijdsverschillen op een papiertje.

Krabbé had als kind al een voorliefde voor getallen. In de gloriedagen van Louison Bobet zette hij een tijdritje uit van 22 kilometer, dat hij op zijn gewone fiets af wist te leggen aan een gemiddelde van 28 per uur. Lang niet slecht, vindt hij.

Tim Krabbé komt uit een artistiek-intellectueel milieu, had geen oom die even een racefiets in elkaar kon zetten. Niet dat zijn familie niet wilde dat hij ging fietsen, integendeel. Tot twee keer toe probeerde hij een krantenwijk te krijgen om tweehonderd gulden bijeen te sparen. Dat bedrag dacht hij nodig te hebben voor een tweedehands exemplaar. Toen dat niet lukte, gaf hij het op. Zo graag wilde hij geen wielrenner worden.

In die periode zag hij twee klasgenootjes schaken. Daaraan raakte hij eerst verknocht. Hij schreef er boeken over, hoorde op een goed moment bij de Nederlandse subtop. Pas op zijn dertigste ging hij wielrennen, door die renner op de Col d’Uglas, de col die hij wel honderd keer omhoog is gereden. Aanvankelijk in twintig minuten, later in 14 minuut 56 seconden. Hij reed talloze amateurkoersen in Europa. Won er een paar, vaker ook niet.

Krabbé spreekt van twee koerslevens. Eerst van zijn 30ste tot zijn 37ste, daarna van zijn 60ste tot zijn 68ste. Toen er ter ere van het 25-jarig bestaan van De Renner een ronde werd georganiseerd in de Cevennen, kon hij niet meedoen, omdat hij door te veel snoepen en te weinig bewegen 110 kilo was gaan wegen. „Dat is vies”, zegt Krabbé aan een houten tafel in zijn woonkamer. „Ik werd boos. Ik dacht: wat denken ze wel? Dit zijn mijn weggetjes!” Het jaar erna koerst hij weer, bij de zestigplussers. In 2009 wordt hij in Oostenrijk net geen wereldkampioen in zijn leeftijdscategorie. In de eindsprint wordt hij klemgezet. Een beker met grote oren staat naast de vensterbank. In het raamkozijn staan nog meer prijzen. Relikwieën uit een vervlogen wielerleven.

Krabbé fietst drie keer in de week. Tijdens de coronaperiode deed hij vijftien solotochten van ruim honderd kilometer. Af en toe rijdt hij op en neer naar Hengelo. Daar woont zijn vriendin. Hij heeft een vriendengroep, De Windjammers, met wie hij tochten maakt. De afstanden zijn geen probleem, het tempo soms wel.

Wat vindt u zo mooi aan wielrennen?

„Je moet dat niet willen uitleggen. Ik verzet me tegen het abstraheren van schoonheid. Interpreteren verschraalt de boel. Ik heb er wel ideeën over, maar die zijn volstrekt onbelangrijk.”

Ja?

„Die kleuren van die renners bij elkaar, dat is toch al prachtig? En die landschappen. Maar nu ga ik al verder dan ik wil. Liefdes ontstaan irrationeel. Ik heb het met schaken gehad, en met wielrennen.”

Wanneer was u voor het laatst in de Cevennen?

„Vorig jaar, met Petra. Ik had haar over de Uglas verteld. Mijn toenmalige vriendin, had daar een bepaalde tijd gemaakt, op haar 24ste. Dus ik zei tegen Petra: het is niet ondenkbaar dat jij dat op je 57ste kunt verbeteren. Dus wij naar de Uglas. Ze was een halve minuut sneller. De volgende dag ging ik alleen. Was ik verdomme een halve minuut langzamer! Op je 77ste zit je vol met geldige excuses, maar ik vond het leuk dat zij gewonnen had. En ook wel een beetje vervelend.”

Krabbé kruipt achter zijn computer. Op Google Maps laat hij zien waar de start en finish van de Uglas liggen. „Als je traint kom je bij mijn tijd in de buurt. Maar laat dat uit je hoofd.”

Correctie (4 september 2020): in een eerdere versie stond dat de Mont Aigoual de hoogste top van de Cevennen is. Dat is onjuist, de de Mont Lozère is hoger.