Opinie

Steunpakket cultuur koopt tijd – ook voor toekomstvragen

cultuur en corona

Commentaar

Zo luid als de roep was om meer steun voor de culturele sector, zo stil bleef het nadat donderdag bekend werd dat minister Ingrid van Engelshoven (D66, OCW) het toch voor elkaar heeft gekregen: een tweede steunpakket van 482 miljoen euro om de culturele sector het lopende ‘coronaseizoen’ ’20-’21 door te helpen. Omdat de kunstsector ook meedeelt in de generieke maatregelen – loonsubsidie (NOW), zzp-ondersteuning (TOZO), steun aan provincies en gemeenten – omvat dit tweede hulppakket bij elkaar 700 miljoen euro. Tel daar de 600 miljoen uit april bij op en de Nederlandse coronasteun aan de kunst- en cultuursector komt uit op 1,3 miljard: een klinkende erkenning van het belang van kunst en cultuur voor economie, vestigingsklimaat en vooral voor alle meerwaarde die zich niet in cijfers laat uitdrukken.

Het gebrek aan blijken van bijval of opluchting over het pakket valt te verklaren vanuit de bittere noodzaak ervan. Corona heeft ook andere sectoren zwaar geraakt, maar voor theaters, concertzalen, kunstenaars, musici acteurs en technici is de horizon nog steeds wel heel donkergrijs. De taskforce culturele en creatieve sector van de Tweede Kamer maakte al in juni bekend dat de sector dit jaar tot 2,6 miljard euro aan publieks- en zakelijke inkomsten misloopt – de 1.3 miljard steun niet meegerekend. Het Centraal Bureau voor de Statistiek berekende dat het bruto binnenlands product (bbp) in het tweede kwartaal kromp met 8,5 procent. Maar in de cultuur- en recreatiesector was dat 37,4 procent.

Paradoxaal genoeg zijn het de veerkracht en de vitaliteit van de sector zelf die helder zicht op dat alarmerende getal benemen. In het Concertgebouw zijn dit najaar 330 concerten te genieten. Talrijke naar nu uitgestelde toneelpremières leiden nu ook tot topzware speellijsten in de theaters. Maar al die voorstellingen vinden plaats voor fracties van de normale publiekskaantallen. Zalen worstelen onverminderd om hun voortbestaan, concertreeksen houden op te bestaan. En voor veel makers geldt hetzelfde: op het Festival Oude Muziek was dit weekend de opluchting van tientallen Nederlandse musici die eindelijk weer konden spelen, kerk na kerk voelbaar.

Nog onduidelijk is waar het hulpgeld landt – althans, voor een groot deel. Geoormerkte budgetten gaan onder meer naar gesubsidieerde instellingen in het verlengde van het vorige steunpakket (200 miljoen euro) en naar specifieke hulp aan gemeenten voor de lokale culturele infrastructuur (150 miljoen) Maar daarnaast is het „belangrijk dat steun nu ook echt bij de makers terecht komt”, twitterde PvdA-fractievoorzitter Lodewijk Asscher al terecht.

Veel makers én instellingen zijn met dit tweede overheidspakket gered, voor de duur van het lopend seizoen. Maar achter de schermen daagt ook al het besef dat “leven met corona” best nog langer kan duren. Hoe viert de Bachvereniging in 2021 het 100-jarig jubileum als een ‘Matthäus-Passion’ met al die musici en zangers op één podium niet mag? En als symfonieorkesten van circa tachtig musici maar mogen spelen voor driehonderd man publiek, hoe ontsluit je dat muzikale en menselijke kapitaal dan op een andere, meer flexibele manier?

Het steunpakket koopt óók tijd om na te denken over die, ongemakkelijke, toekomstvragen.