Profiel

Het duurde even voor de Zuidas-advocaat echt ‘minister’ was

Minister Grapperhaus Minister Grapperhaus profileert zich als een rechtsstatelijk politicus die vindt dat de politiek bij gedragsnormen het voortouw moet nemen. Op zijn huwelijk viel hij even uit die rol.

Minister Grapperhaus tijdens het coronadebat, 2 september.
Minister Grapperhaus tijdens het coronadebat, 2 september. Foto David van Dam

Als columnist van Het Financieele Dagblad hekelde Ferdinand Grapperhaus, toen nog arbeidsjurist op de Zuidas, politici die niet doen wat ze zelf bepleiten. „Ik beken direct dat ik ook niet altijd in alles consequent ben”, schreef hij in 2014, „maar er is wel een grens aan het ‘not to practice what you preach’.” Zo’n opstelling van politici zou „onbegrip” veroorzaken bij „de gewone burger”. De politiek, besloot Grapperhaus zijn column, „is er voor de publieke zaak en moet juist bij gedragsnormen het voortouw nemen”.

Woensdag moest politicus Grapperhaus in de Tweede Kamer verdedigen waarom hij precies gedaan had wat hij als columnist hekelde. Maandenlang had hij er bij de bevolking op aangedrongen anderhalve meter afstand te houden, maar vorige week bleek dat op zijn eigen bruiloft, half augustus, de coronaregels niet altijd waren gevolgd.

Grapperhaus’ ministerschap begon op zondagochtend 15 oktober 2017, toen hij tijdens een fietstocht met vriend en uitgever Mai Spijkers gebeld werd, zijn fiets tegen een boom zette, opnam en op de vraag van toenmalig CDA-leider Sybrand Buma of hij minister wilde worden, „ja” zei. Zijn naam ging al langer rond binnen het CDA als mogelijke ministerskandidaat, hij had het er met CDA-vrienden al over gehad en vond zichzelf ook wel geschikt. Dus zei hij „ja”: hij kon in de voetsporen van zijn vader Ferd (staatssecretaris van Financiën in het kabinet-De Jong, 1967-1971) treden.

Het ministerie van Veiligheid en Justitie werd het, of nee, Justitie en Veiligheid – de twee werden omgekeerd, en dat paste bij Grapperhaus: hij wilde een rechtsstatelijke minister worden, zei hij bij zijn aantreden. Met die houding moest hij het grootste, maar vooral moeilijkste, departement van Den Haag hervormen. Al jaren werd het ministerie getergd door affaires, politieke beïnvloeding van de ambtenarij en andersom, en daarom aftredende bewindspersonen.

Dit kon hij aan, de mondige Zuidas-advocaat. In zijn boeken en columns had hij zich een beschouwende, maar soms uitgesproken publieke intellectueel getoond. Hij bekommerde zich om de zwakkeren, sprak zich uit tegen Zwarte Piet voordat politieke partijen dat deden, vond dat Nederland méér vluchtelingen moest opnemen dan het deed.

Twijfel aan zijn diepgang

Maar in Den Haag verstomde Grapperhaus. In zijn eerste maanden was hij soms amper verstaanbaar tijdens debatten. In talkshow Pauw sprak hij zich uit voor het terughalen van kinderen van jihadisten uit het kalifaat, hoewel zijn eigen beleid was om dat níét te doen. Kamerleden twijfelden aan zijn inhoudelijke diepgang, in de coalitie werd wel opgemerkt dat de advocatuur en de politiek „twee verschillende werelden” waren. Uit het ministerie kwamen verhalen dat Grapperhaus álle dossiers wilde kennen en geen prioriteiten kon stellen.

Gaandeweg is Grapperhaus gegroeid in zijn rol. De bestrijding van ‘ondermijnende’ drugscriminaliteit werd dé prioriteit van zijn ministerschap. Dat werd het met name nadat op 18 september vorig jaar advocaat Derk Wiersum werd doodgeschoten, die kroongetuige Nabil B. verdedigde. Later die dag verscheen Grapperhaus met tranen in zijn ogen voor de camera’s, hij noemde de moord een „aanslag op de rechtsstaat”.

Lees ook: Met Grapperhaus mee op werkbezoek: ‘Sjezus jongens, kom eens kijken’

Moeizamer is zijn aanpak van de problemen van de politie: ondanks beloftes om duizenden extra agenten aan te stellen, blijven daar grote tekorten bestaan. Het gezag van de politie staat daardoor nog minstens zo onder druk als in november 2017, toen de net aangetreden Grapperhaus een kritische evaluatie over de invoering van de nationale politie op zijn bureau kreeg.

Maar waar voorgangers struikelden over de hoofdrol die ze speelden in departementale affaires hield Grapperhaus stand. Wel kwam hij vorig jaar in de problemen toen bleek dat hij meermaals de Kamer verkeerd had geïnformeerd over het Wilders-proces en de zaak van piloot Julio Poch. Ook kreeg hij eind december te maken met de ‘WODC-affaire’. Ambtenaren hadden in 2014 wetenschappelijk onderzoekers onder druk gezet om een voor toenmalig Justitie-minister Ivo Opstelten (VVD) politiek gewenste uitkomst op te schrijven.

Humor in debatten

Van een wankelende, weifelende minister ontwikkelde Grapperhaus zich zo tot het ferme, maar rechtsstatelijke gezicht van het kabinet. Een minister die in de Kamer steeds meer gewaardeerd werd om zijn sympathieke contact met Kamerleden, luchtige stijl van debatteren en humor. Zo groeide zijn krediet, ook bij de oppositie. Tijdens debatten strooide hij steeds vaker met verwijzingen naar films en muziek.

Grapperhaus overweegt een plek op de CDA-kandidatenlijst volgend jaar en werkt aan een nieuw boek dat, net als in het in 2017 verschenen Rafels aan de rechtsstaat, pamflettistisch moet worden. Lukt dat? Als columnist schreef hij al dat het lot van politici sterk afhankelijk is van de publieke opinie. „Zo geschiedt de beoordeling van leiders tegenwoordig niet meer aan de hand van afgewogen criteria, gemeten over een langere periode - nee, bij de beoordeling wegen incidenten, hoe klein ook, het zwaarst. Of eigenlijk, de mening van het moment van de meute, over dat incident.”