Opinie

Geel touwhaar

Zes jaar geleden, vlak nadat ik voor het eerst in mijn leven mijn Surinaamse vader had ontmoet, deelde ik voor het eerst in mijn leven een hotelkamer met mijn Groningse opa. ’s Middags hadden we een dutje gedaan, dat was al raar, maar ’s avonds gingen de brillen af en de kleren uit. Opa droeg een opa-onderbroek en een opa-onderhemd. Hij had huissloffen meegenomen, een ochtendjas en een opa-pyjama. Hij was klein en kwetsbaar ineens, ik zag het verlegen boerenjongetje dat hij ooit was geweest. Hij knipte het licht uit en toen lagen we daar in onze bedden, te staren naar het plafond. Opa en kleinzoon, maar ook: twee vrinden op schoolkamp. Ik vroeg opa of hij mijn vader wel eens had ontmoet.

„Eén keer”, antwoordde hij vanuit het donker, „in die flat in Schiedam.” Voor opa was het een kleine schok geweest: mijn vader en een vriend van hem zouden koken voor mijn moeders verjaardag, ze waren drie uur te laat. Ze hadden zich aangekleed als Surinaamse prinsen, in leren jasjes en strakke broeken, als het tegenovergestelde van het type man dat opa in zijn leven geleerd had om te spelen; de strenge, Nederlandse huisvader met fronsende wenkbrauwen. Opa zei dat hij niet gesnapt had wat mam met die jongen deed. „Er zijn toch een hoop van die lui” – Surinamers bedoelde hij – „die wél wat van hun leven hebben gemaakt.” Hij vroeg of ik wel zeker wist dat ik mijn vader een onderdeel van mijn leven moest maken. Ik zei dat mijn vader al een onderdeel van mijn leven wás en dat ik wel verplicht was om uit te vinden wat daar leuk aan was, net zoals ik ooit had moeten uitvinden wat er leuk was aan Groningse overgrootmoeders met gouden oorijzers.

In de zes jaar die volgden woonde ik zes maanden in Suriname, ik dook in archieven, ik las alles wat er over Suriname te vinden was, én ik vond uit waarom mijn vader een held is. Het doel van deze zoektocht was niet om mijn opa te veranderen, ik vond hem mooi zoals hij was, maar het gebeurde wel. Toen ik hem vorige week bezocht, zat hij aan een tafeltje met twee lunchvrienden te vertellen over de Surinaamse geschiedenis. „Het is een wonder dat Surinamers die geschiedenis hebben overleefd”, zei hij. Later, toen een van opa’s tafelgenoten opmerkte dat hij mij zo’n vriendelijke jongen vond, maar dat mijn haar wel wat netter mocht, zei opa: „Er zijn plekken op de wereld waar het haar van mijn kleinzoon de standaard is. In Suriname bijvoorbeeld noemen ze uw haar geel touwhaar.” De Groningse boerenjongen was op zijn eenennegentigste óók een Surinaamse prins geworden.