Reportage

De groeve tonen is ’m kapotmaken

Van toen naar nu Een wandeling in etappes door Nederland en door de tijd. Aflevering zeven: op ‘het oudste strand van Zeeland’ mag je de wanden van de groeve niet aanraken.

Oude Doelpolder, tussen de Prosperpolder en de kerncentrale van Doel. De Schelde.
Oude Doelpolder, tussen de Prosperpolder en de kerncentrale van Doel. De Schelde. Foto Katrijn van Giel

Uit de wand van de groeve steken vuilgele schelpjes: wijde mantels, bekend van een benzinemerk. „Raadselachtig”, zegt boswachter Peter Maas, „je vindt alleen bovenkantjes, altijd horizontaal en altijd met de bolle kant naar boven.”

De enige verklaring die hij kan bedenken is wat ooit het ‘gymschoenenmysterie’ heette: stranden met alleen linker Nikes en andere stranden met alleen rechter Nikes. De oceaan voerde ze elk een andere kant op. Misschien zijn die fossiele schelpjes hier drie miljoen jaar geleden ook zo door wind en water gesorteerd, denkt Maas.

De Meester Van der Heijden-groeve in Nieuw-Namen heet ook wel ‘het oudste strand van Zeeland’: afzettingen van zand en schelpen uit het Plioceen, afgedekt met zand dat later kwam aanwaaien. Voorlopers van de huidige Schelde hebben het meeste ervan weer weggespoeld, behalve de lage bult – de Kauter – waarop Nieuw-Namen is gebouwd, het oostelijkste dorp van Zeeuws-Vlaanderen, pal aan de grens met België.

‘Kautermollen’ heetten ze hier. Ze groeven het zand op en verkochten het als bouwmateriaal. Later werd de groeve een afvalstort. Tot Staatsbosbeheer het terrein in eigendom kreeg, de rommel opruimde en het openstelde als ‘aardkundig monument’. Dat is zo kwetsbaar dat bezoekers de wanden niet mogen aanraken; ze kunnen deze alleen bekijken vanaf een vlonder op palen.

Toch slijt de groeve. In de loop van het jaar verweren de wanden en beginnen planten te groeien. Elk voorjaar worden ze daarom voorzichtig schoongeborsteld. „Daarmee veeg je steeds iets weg”, zegt Maas. „Tonen is kapotmaken. Dat is ons dilemma, en we kunnen dit niet eeuwig blijven doen.”

Van dit stukje zee dat boven water kwam, rijd ik vijf kilometer noordelijker, naar land dat binnenkort onderloopt. Ik wil nog eens rond de Hedwigepolder wandelen, maar ik ben te laat. Achter hekken rijden gele Caterpillar-vrachtauto’s met grond heen en weer. De bomen zijn verdwenen, de paar huizen gesloopt.

In 2018 viel het doek. Bij de verruiming van de Schelde ging natuur verloren. Om die te compenseren worden de Hedwige en een deel van de Belgische Prosperpolder onder water gezet. Rond die ‘dubbelpolder’ wordt nu landinwaarts een nieuwe ringdijk aangelegd. Dan wordt de oude zeedijk doorgegraven zodat nieuwe wetlands ontstaan. Maar ten koste van rijke landbouwgrond en de ‘boerennatuur’ van de negentiende-eeuwse polders met hun boomgaarden en klinkerwegen en rijen iepen.

Foto Katrijn van Giel
Fossielen bij de Meester Van der Heijdengroeve in Nieuw-Namen, het meest oostelijke dorp van Zeeuws-Vlaanderen, op de Belgische grens.
Foto Katrijn van Giel
Oude Doelpolder, tussen de Prosperpolder en de kerncentrale van Doel
Foto Katrijn van Giel
Foto’s Katrijn van Giel

Ik rij de grens over, parkeer voor de kerk van Prosperdorp en wandel naar de nieuwe zeedijk, die daar al af is. In het onttakelde land erachter worden nu geulen gegraven voor de ‘nieuwe intergetijdennatuur’.

Toch is ook dit maar een postzegel. Langs drie horizonten rukt de Antwerpse haven op met kranen en windmolens. En de kerncentrale van Doel met zijn koeltorens is nergens níét te zien. „De verte is weg”, schreef Chris De Stoop in Dit is mijn hof over de verwoesting van de boerengemeenschappen die hij „het geheugen van de polder” noemt.

Ik volg de dijk oostelijk naar de Doelpolder, doorsneden met een kaarsrechte dijk en een pad van het Trage Wegen-netwerk ernaast. Aan de ene kant van de dijk: aardappels en de koeltorens van de kerncentrale die geluidloos stomen. Aan de andere kant: voorheen weiden, nu een brak moeras. Halverwege de dijk: een scherm met kijkgaten. Dit heet een paradijs voor kluten en steltlopers, maar mijn ongeoefend oog ziet alleen meeuwen.

Ik rond de polder, langs een kapelletje („Antonius van Padua, bid voor ons”) en loop door Ouden Doel, een paar huizen, nu half verstopt achter de nieuwe zeedijk. Via een kasseienweggetje komt Prosperdorp weer in zicht. Als ik mijn schoenen losmaak, slaat de klok driemaal.