Analyse

Architectuur komt er in Het Nieuwe Instituut bekaaid vanaf

Het Nieuwe Instituut Volgens het eigen jaarverslag trok Het Nieuwe Instituut (HNI) in Rotterdam vorig jaar een half miljoen bezoekers. Toch maakt de instelling al jaren een in zichzelf gekeerde indruk.

Het Nieuwe Instituut in Rotterdam.
Het Nieuwe Instituut in Rotterdam. Foto Johannes Schwartz.

Vorig jaar trok Het Nieuwe Instituut (HNI) 555.521 bezoekers, zo staat in het jaarverslag van HNI. Een jaar eerder noemde HNI zichzelf in het jaarverslag van 2018 dan ook trots ‘een van de grote culturele spelers in Rotterdam’. In dat jaar hadden zelfs 656.833 mensen tentoonstellingen en andere evenementen bezocht van het Rotterdamse instituut voor architectuur, design en digitale cultuur dat in 2013 in de plaats kwam van het Nederlandse Architectuurinstituut (NAi). Dit was ruim twee keer zo veel als het naburige Museum Boijmans Van Beuningen in 2018 trok. De Raad voor Cultuur gaf HNI afgelopen juni een positief advies. In de periode 2021-2024 zal de instelling jaarlijks 1,6 miljoen euro per jaar subsidie krijgen uit de Basisinfrastructuur.

Maar wie de afgelopen jaren wel eens Het Nieuwe Instituut heeft bezocht, zal versteld staan van de imposante bezoekcijfers. HNI was immers al lang voor het coronatijdperk corona-proof: meestal doolden er niet veel meer dan een mens of twintig door het grote gebouw dat in 1993 naar een ontwerp van Jo Coenen werd gebouwd als onderkomen van het in 1988 opgerichte NAi.

Het Nieuwe Instituut heeft zijn bezoekcijfers dan ook flink opgeblazen, zo ontdekte architect/criticus Kees van der Hoeven toen hij onlangs de bezoekcijfers van HNI uit het jaarverslag over 2018 tegen het licht hield in het eerste van drie artikelen over het instituut op architectenweb.nl. Zo blijken 425.344 bezoekers aan de architectuurbiënnales van Shenzen en Venetië waaraan HNI bijdragen leverde, deel uit te maken van het totaal aantal bezoekers. Na verdere aftrek van bijvoorbeeld de 122.278 niet-betalende, door de camera geregistreerde bezoekers van het instituutsgebouw – dat ook een gratis toegankelijke boekhandel en café omvat, en het bezoek aan het naastgelegen Huis Sonneveld – blijven er uiteindelijk 45.609 betalende bezoekers aan het HNI-gebouw in 2018 over, zo berekende Van der Hoeven op basis van cijfers uit het jaarverslag 2018 en door HNI verstrekte gegevens. Na publicatie van het artikel in juli heeft HNI de juistheid van die berekening niet weersproken.

Met dit aantal van ruim 45.000 bezoekers haalde HNI in 2018 minder dan de helft van het aantal bezoekers dat het NAi in de laatste jaren voor zijn opheffing in 2013 trok. In die jaren wilde de laatste directeur Ole Bouman het instituut ‘gastvrijer en toegankelijker’ maken, zodat het NAi 150.000 tot 200.000 bezoekers per jaar zou trekken. Hoe hij dit aantal kon halen, wist hij nog uit 2007, het eerste jaar van zijn directeurschap, toen het NAi dank zij een tentoonstelling over Le Corbusier met 148.000 bezoekers een record haalde.

‘Normatieve toon in ontwerpen’

Guus Beumer, nu al bijna acht jaar directeur van het Nieuwe Instituut, heeft Boumans streven naar gastvrijheid en toegankelijkheid niet voortgezet. „Wij zijn als instituut de afgelopen jaren heel gevoelig geworden voor de normatieve toon in veel ontwerpen”, zo omschreef hij de opstelling van het HNI onlangs in een interview met het kunsttijdschrift Boekman. „Die proberen we te ontrafelen en hopelijk leidt dat tot nieuwe vraagstellingen.” Dit uitgangspunt heeft de afgelopen jaren geresulteerd in een reeks tentoonstellingen en installaties over mode, design en digitale cultuur die zelden worden besproken en weinig bezoekers trekken.

Voor de architectuur, toch een van de drie aandachtsgebieden van HNI, is het instituut van Beumer zelfs vrijwel irrelevant geworden. De Schatkamer, de nieuwe vaste tentoonstelling over Nederlandse architectuur die in 2011 naar een ontwerp van Rem Koolhaas’ OMA in de kelder van het NAi-gebouw werd opgesteld, is enkele jaren geleden in stilte afgebroken. De enige omvangrijke architectuurtentoonstelling (over Herman Hertzberger en het structuralisme) van het Jaap Bakema Study Centre dateert van 2014.

Hoewel het imposante en wereldberoemde ‘Rijksarchief voor Architectuur en Stedenbouw’ onderdeel is van HNI en tal van werken van architecten van de Amsterdamse School en De Stijl bevat, gingen de eeuwfeesten van beide Nederlandse design- en architectuurbewegingen in 2016 en 2017 vrijwel ongemerkt voorbij in HNI. Dit jaar slaagde het instituut er niet in om Countryside, de geruchtmakende tentoonstelling van Rem Koolhaas/OMA/AMO die in februari opende in het Guggenheim Museum in New York, naar Rotterdam te halen. Deze zal straks elders in ons land te zien zijn.

Zo is HNI in de acht jaar van zijn bestaan een in zichzelf gekeerd instituut voor ingewijden geworden. Hoe besloten Het Nieuwe Instituut ook in bestuurlijk opzicht is, bleek toen Guus Beumer in 2015 in opspraak kwam na onthullingen in NRC over het verlenen van een opdracht van HNI aan zijn levenspartner Herman Verkerk en het betrekken van vrienden en bekenden bij HNI. Een onafhankelijke onderzoekscommissie kwam later tot de slotsom dat Beumer de voor musea geldende Governance Code Cultuur op verschillende manieren had overtreden. De Raad van Toezicht van HNI trad af, maar directeur Beumer bleef zitten.