Opinie

Komt wel goed

Ellen Deckwitz

De afgelopen dagen was het weer raak hoor: om alles verdrietig, het daglicht zo fel dat ik snakte naar een eclipsbril en de spieren te zwak om het eigen geraamte te dragen. „O, floks”, zei mijn zus toen ik vanochtend levensmoe op haar stoep stond,

„Is er een concrete aanleiding?”

„Nee”, piepte ik.

„Heel veel mensen hebben momenteel een terugval”, zei ze terwijl ze me binnenliet. „Ik zie het in mijn eigen praktijk.”

„Alles lijkt zo uitzichtloos”, miepte ik.

„Maar alles ís uitzichtloos”, zei ze, verrast dat ik dat zo opmerkelijk vond. „Er is geen enkele garantie dat morgen beter zal zijn dan vandaag. Waarom denk je dat de mens zo’n grote fantasie heeft? Om zichzelf maar voor te houden dat het in de toekomst allemaal reuze mee zal vallen. Dat ons zeer beperkte bestaan morgen stukken leuker zal zijn.”

Triomfantelijk zette ze me een bak eikeltjeskoffie voor.

„Dus eigenlijk zetten we onze verbeelding in als antidepressivum”, mokte ik.

„Uiteraard”, zei ze luchtig. „Verbeelding kan het ondraaglijke dragelijk maken. Hoe vaak hoor ik jou na een klaagzang de boel wel niet afsluiten met de mededeling dat het wel weer goedkomt?”

„Maar daar is toch niets mis mee? Met wat optimisme?”

„Neehee”, zuchtte ze, „maar je moet ervoor waken om daar niet in door te slaan. Telkens zeggen dat alles goedkomt, kan ook een excuus zijn om niets te veranderen. Dan laat je de dingen op hun beloop.”

Ze beet een nagel af.

‘Natuurlijk”, zei ze langzaam, „kan het helpen om niet al te pessimistisch naar de toekomst te kijken. Dat helpt je om uit bed te komen. Maar velen verwachten gewoon te veel van hun leven. Ik moet dan denken aan de Europese Centrale Bank, die maar geld blijft bijdrukken. Veel van het geluk waar we op hopen – mooier worden, een kreukvrije relatie, eindelijk helemaal vrij van geldzorgen zijn – is ook niet gedekt, zal nooit plaatsvinden. Maar we stellen het ons wél voor en nemen zo een voorschot op de blijdschap wanneer al die dromen uitkomen. En zo jaag je, net zoals bij een economische bubbel, alle verwachtingen tot zulke hoogtes op, dat ze niet meer kunnen worden ingelost.”

„Je persoonlijke beurskrach.”

„Ja!”, zei ze vrolijk. „De mens is een Homo speculans. Zelfs na een crash, want voor je het weet, denk je alweer dat het morgen beter zal gaan dan vandaag. En daarom sta jij om ieder half jaar sip bij mij op de stoep.”

„En dus ben ik gedoemd om van zeepbel naar zeepbel te gaan?”, wanhoopte ik.

„Inderdaad”, zei ze blij, „mensen zijn nou eenmaal veel beter in verbeelden dan veranderen. Vind je het niet hilarisch?”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.