Opinie

Nieuwe ronde steun richt blik terecht op de post-corona-economie

Derde steunpakket

Commentaar

De eerste paniek is weg, de eerste klappen zijn opgevangen en daarmee keert stapsgewijs de ratio terug in het economisch beleid. Het vrijdag gepresenteerde derde economisch steunpakket is in die zin een hele verbetering ten opzichte van de eerdere maatregelen, die zeker met de kennis van nu wat ongericht, fraudegevoelig en duur waren. De eerste twee steunpakketten kostten samen 37 miljard euro. Het huidige kost 11 miljard.

Vooropgesteld: dat de overheid steun biedt in een recessie die door haarzelf in gang gezet is, is niet meer dan redelijk. Covid-19 raast nog steeds over de wereld en om de pandemie in te dammen en het aantal slachtoffers te beperken, werd een groot deel van het economisch verkeer stilgelegd. Noodzakelijk, zeker, maar daar hoort dan ook bij dat de consequenties van dat beleid ook collectief worden opgevangen.

Aan het begin van de crisis werd vooral gewezen op de diepe zakken van de staat en er gingen bedragen van wel 90 miljard euro rond. Dat bracht rust en vertrouwen, voorkwam massaontslagen en hielp het aantal faillissementen laag houden.

Nu, een half jaar later, is het hoopgevend dat de blik bij het huidige pakket (dat terecht geen ‘noodsteun’ meer heet maar ‘steun- en herstelpakket’) al wat meer naar de toekomst gericht is. Ten eerste brengt het kabinet rust door het pakket een lange looptijd te geven (tot aan de zomer van 2021). Dat geeft werkgevers en werknemers vertrouwen dat de steun niet plots stopgezet wordt als het economisch weer een beetje beter gaat.

De regels voor steun zijn tegelijk ook strenger dan voorheen. Ook dat is een terechte keuze, juist met het oog op het tegen de klippen op overeind houden van bedrijven die toch geen toekomst meer hebben. Nu vergoedt de overheid maximaal 90 procent van de loonsom van noodlijdende bedrijven. Vanaf oktober wordt dat 80 procent, vanaf januari 70 en vanaf april 60 procent. De ontslagbescherming die in eerdere pakketten nog een rol speelde, is geschrapt.

Een grote overwinning voor de vakbonden is dat kabinet en werkgevers zich ook gezamenlijk scharen achter een omvangrijk scholingsprogramma. Bedrijven of sectoren die ook in de wereld na de pandemie geen of veel minder bestaansrecht hebben, kunnen hun personeel nu omscholen.

Dergelijke maatregelen tonen realiteitszin: de overheid kan niet tot in lengte van jaren sectoren draaiende houden die zelfstandig geen bestaansrecht meer hebben. En bedrijven moeten uiteindelijk ruimte krijgen om zelfstandig te beslissen over hun toekomst.

Het is in dat verband een compliment waard dat het kabinet erin geslaagd is dit pakket in overeenstemming met de sociale partners rond te krijgen. De timing lijkt daarbij een grote rol te hebben gespeeld: toen in mei ook plannen circuleerden om de ontslagboete voor bedrijven te schrappen, was de vakbond woedend. Nu is er vooral wederzijds begrip.

De echte test voor de overheid moet echter nog komen. Op Prinsjesdag moet meer duidelijk worden over de richting die het kabinet met de post-corona-economie op wil. Houdt het een rol in de aansturing van de economie, en zo ja, waar? Hoe gaat het om met de opgelopen staatsschuld? Een eerste aanzet is nu gegeven: 2 miljard euro voor infrastructuur en bouw (geld dat al gepland stond voor later) wordt versneld uitgegeven.

Dat zijn geen makkelijke keuzes, en de naderende verkiezingen van maart 2021 zijn daarbij eerder een vloek dan een zegen. Een open politiek debat over de gewenste rol van de staat in de economie moet in elk geval voor die tijd gevoerd worden.