Opening academisch jaar: Meer stress, veel lenen en sneller studeren

Studententijd Studeren werd de afgelopen jaren steeds een beetje minder leuk. Bij het begin van het academisch jaar maken hoofdrolspelers uit het hoger onderwijs de balans op.

Op Plein 1944 in Nijmegen demonstreert student bestuurskunde Charifa Soulami (in het zwart) tegen het leenstelsel, dat in 2015 werd ingevoerd.
Op Plein 1944 in Nijmegen demonstreert student bestuurskunde Charifa Soulami (in het zwart) tegen het leenstelsel, dat in 2015 werd ingevoerd. Foto John van Hamond

De veranderingen in het studentenleven zag Olga de Haes (59) bij haar vier kinderen voorbij trekken. Haar oudste dochter, nu 31, kreeg tijdens haar hele studie een beurs. Haar twee zoons (29 en 27) leenden alleen tijdens de masterfase en haar jongste dochter (20) krijgt helemaal geen studiefinanciering. Terwijl haar oudste dochter in theorie nog eindeloos over haar eerste jaar mocht doen, kreeg haar derde kind te maken met een strenge eis: 60 studiepunten halen, anders stoppen.

„In mijn tijd was studeren vrijblijvender: je kon er jaren over doen”, zegt De Haes, die in 1979 geneeskunde ging studeren in Utrecht en nu hoofd is van de onderwijsafdeling van geneeskunde aan de Radboud Universiteit. Bij de studenten van nu, van wie ze er een aantal begeleidt, ziet ze veel stress. „Ze leggen zichzelf hoge normen op. Heb ik het juiste baantje, doe ik het juiste onderzoek?” Heel anders dan in haar tijd. „Maar het hele leven was anders. Er was geen internet, geen mobiele telefoon. Onze wereld was veel kleiner.”

Er is nogal wat veranderd voor studenten aan de universiteiten en hogescholen de afgelopen jaren: het bindend studieadvies en het leenstelsel werden ingevoerd, het aantal studenten groeide van 477.707 in 2000 tot 767.580 nu – en het aantal internationale studenten explodeerde, van ruim 11.000 in 2000 naar ruim 96.000. En dit jaar kwam daar het coronavirus bovenop, waardoor het studentenleven grotendeels naar de huiskamer is verplaatst. Hoe leuk is het nog om te studeren?

Lees ook: De nieuwe studenten: driedubbel genaaid en toch veerkrachtig

Als je het relatief bekijkt, zegt voormalig onderwijsminister Jo Ritzen, dan zijn studenten nog altijd een bevoorrechte groep. „Ze zijn beter af dan hun leeftijdgenoten die niet studeren. Maar ik bespeur wel veel stress bij studenten. Veel meer dan twintig jaar geleden. Er is echt iets aan de hand.”

Ritzen was minister van Onderwijs namens de PvdA tussen 1989 en 1998 en voerde de prestatiebeurs en de OV-studentenkaart in – onder luid protest van studenten. Schaterend: „Jahaa, studenten vonden die OV-kaart een verschrikking, maar het werd natuurlijk fantastisch! Ik ben er heel trots op.” Tegenwoordig is hij, onder andere, honorair hoogleraar („Dat betekent dat je wel werkt, maar niet wordt betaald”) aan de Universiteit Maastricht.

De toegenomen stress wijt Ritzen aan de grotere financiële druk op studenten en aan sociale media als Instagram waar studenten „een uitbundig glamourleven lijken te hebben”. Maar vooral aan de toegenomen prestatiedruk. „Dat was vroeger iets wat we alleen kenden uit Japan, maar het is overgewaaid naar Europa – en misschien wel het meest naar Nederland. De druk om zo hoog mogelijk te scoren is hier enorm toegenomen. In mijn tijd als onderwijsminister hadden de meeste studenten ouders die zelf niet hadden gestudeerd. Nu hebben de meeste ouders wel gestudeerd en móéten hun kinderen ook studeren. De druk vanuit de peergroup is vele malen groter.”

Lees ook: Een huis kopen met studieschuld? Het blijft lastig

Het is een ontwikkeling die Jet Bussemaker, minister van Onderwijs namens de PvdA tussen 2012 en 2017 en tegenwoordig hoogleraar in Leiden, ook ziet. „De druk op studenten is ontegenzeggelijk groter geworden. Er wordt veel van ze gevraagd en ze groeien op in grote onzekerheid. Jongeren lijken bovendien te denken dat alles nú moet gebeuren, dat ze nú een keuze voor de rest van hun leven moeten maken waarbij ze zich geen misstap kunnen veroorloven.” Het is, denkt Bussemaker, een uiting van „een grote mentale druk en een toenemend perfectionisme” waar de huidige generatie studenten onder lijdt. „Mijn critici zullen nu zeggen dat dat allemaal door mij komt, omdat ik het leenstelsel heb ingevoerd, maar dat zou te simplistisch zijn.”

Het zijn, stelt de oud-minister, bredere maatschappelijke ontwikkelingen die de prestatiedruk veroorzaken: de opkomst van de meritocratie, waardoor ouders zich al op de basisschool met de resultaten van hun kind bemoeien om het maar op het vwo te krijgen, de razendsnelle technologische ontwikkelingen, de idee dat je álles moet meemaken. „Ik had in mijn eigen studententijd al last van fear of missing out, dat gevoel lijkt bij de huidige generatie studenten geëxtrapoleerd tot de zoveelste macht.”

Leenstelsel

Tweede Kamerlid Lisa Westerveld (GroenLinks) studeerde filosofie aan de Radboud Universiteit. Ze werkte daarnaast in de horeca, voetbalde fanatiek en kwam via de Nijmeegse studentenvakbond bij de landelijke studentenvakbond LSVb terecht. Door al die buitenschoolse activiteiten werd ze wie ze is, zegt ze. „Dat kon toen. Het werd zelfs aangemoedigd door mijn studieadviseur: doe meer dan alleen studeren, ontwikkel jezelf. Nu zie ik studenten stressen om alles in een keer te halen, om hoge cijfers te halen. Het slaat door.”

Als voorzitter van de LSVb, in 2007, was ze fel tegenstander van het bindend studieadvies. Toen ze een aantal jaar later lid was van GroenLinks was ze tegen het leenstelsel, maar een meerderheid van haar partij, en de Tweede Kamer, was voor. Nu, vijf jaar na de invoering, is alleen de VVD nog voor. Andere partijen broeden, met de verkiezingen in zicht, op een alternatief. Niet eens vanwege de rap gestegen schulden van studenten, zegt Westerveld, maar vanwege de enorme stress die studenten ervaren en waar in haar ogen het leenstelsel debet aan is. „Studenten zijn bang om te falen, om tijd te verliezen waardoor hun studie nog meer geld kost. In mijn studententijd waren we nauwelijks bezig met studentenpsychologen, nu lijkt het alsof iedereen psychische bijstand nodig heeft.”

Hoewel het leenstelsel voor havisten en vwo’ers nauwelijks invloed heeft gehad op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, is het volgens de critici wél een aanjager van de stress: studenten moeten sneller door hun studie heen om hoge schulden te vermijden. En hoeveel zegt het dat havo- en vwo-scholieren even vaak gaan studeren? Ze hebben niet veel keuze: met alleen een middelbare schooldiploma kom je niet ver. Voor mbo’ers lijkt lenen wel een brug te ver: die kiezen minder vaak voor een vervolgstudie aan het hbo. Of dat komt door het leenstelsel, wordt nog onderzocht.

Charifa Soulami thuis met haar moeder Zohra Soulami, in Nijmegen.
Foto: John van Hamond
Charifa Soulami thuis met haar moeder Zohra Soulami, in Nijmegen.
Foto: John van Hamond
Charifa Soulami thuis met haar moeder Zohra Soulami. „Gemiddeld ben ik minstens veertig uur per week aan het studeren.”
Foto John van Hamond
Charifa Soulami thuis met haar moeder Zohra Soulami. „Gemiddeld ben ik minstens veertig uur per week aan het studeren.”
Foto’s John van Hamond

Turbulente fase

Studenten hebben niet vaker psychische bijstand nodig dan vroeger, zegt Jeanette van Rees, studentenpsycholoog in Utrecht en voorzitter van de sectie studentenpsychogen van het Nederlands Instituut van Psychologen. Er zijn wel meer studenten die hulp zoeken, maar er zijn ook meer studenten. „Dat is met elkaar in verhouding.”

Maar er is wél wat veranderd, ziet Van Rees, die binnenkort na ruim dertig jaar in het vak met pensioen gaat. „Vroeger waren ze bezig met de vraag: hoe kan ik mij ontplooien? Nu vragen ze: wat kan ik doen om het goed te doen?”

Een heel andere benadering, zegt ze. „Daarmee maken ze zich afhankelijk van anderen. Ze zijn bang dat als ze niet goed kiezen, ze hun leven vergooien.” Dat leidt tot angstklachten: het aantal studenten met faalangst nam de afgelopen vijftien jaar toe.

Ook de rol van ouders zag ze veranderen. „In de jaren negentig kwamen die opeens mee naar voorlichtingsdagen. Vroeger waren ouders om je tegen af te zetten, nu lopen ze almaar mee. Dat geeft veel steun, maar ze hebben ook verwachtingen.”

Wat hetzelfde is, is de rol van de levensfase van studenten, tussen 18 en 25 jaar. „Dan leer je zelfstandige keuzes maken, sociale en intieme relaties opbouwen, nadenken over wie je bent en wat je kunt. Het is een turbulente fase, waarin je opeens zelf initiatief moet nemen. Dat je dat spannend vindt, of je wat onzeker voelt, is normaal.” Door de verkorting van de studieduur in 2001 van zes naar vier jaar, zegt ze, is die ‘ontwikkelruimte’ geslonken. „Nu zijn ze op hun 22ste, 23ste klaar met studeren. Dan zit je nog midden in die ontwikkelfase.”

De in 2018 afgestudeerde filosoof Toske Andreoli zoekt de oorzaak voor de hoge druk op studenten niet alleen in de meritocratie en beleidsveranderingen, maar ook binnen de universiteit. Ze bewerkte haar scriptie tot een boek, dat binnenkort verschijnt: De mooiste tijd van je leven? Een nieuwe kijk op studiestress. „Universiteiten bekommeren zich nauwelijks om het welzijn van hun studenten”, zegt ze beslist. „Je kunt rustig een jaar wegblijven zonder dat iemand het merkt en docenten kennen je naam niet.” Het thema stress staat sinds kort wel op de agenda van bestuurders, „maar het wordt gezien als iets waar je zelf verantwoordelijk voor bent.”

Sinds 2000 groeide het aantal studenten met ruim 60 procent. Die groei zet door, verwachten hogescholen en universiteiten. En door de economische crisis kiezen waarschijnlijk meer studenten voor een extra studie. Als de arbeidsmarkt instort, is het onderwijs immers een veilige haven om te wachten op betere tijden.

Vragen stellen

Toen VVD-Kamerlid Dennis Wiersma studeerde, tussen 2006 en 2012, was er ook een economische crisis. Hij is een klassieke ‘stapelaar’ die via mavo en mbo uiteindelijk op de universiteit belandde. Wiersma is niet pessimistisch over de jongeren die nu studeren. „De toekomst ziet er voor de huidige generatie studenten wat minder florissant uit, maar juist dan is het belangrijk om te zorgen dat je doorstudeert en iets naast je studie doet. Je kunt denken: oh, wat erg dat die coronacrisis ons overkomt, maar je kunt ook je uiterste best doen om er wat van te maken.”

De coronacrisis zal een blijvende invloed hebben op studeren, denkt Bert van der Zwaan, oud-rector van de Universiteit Utrecht en schrijver van het essay Haalt de universiteit 2040? Online onderwijs zal niet meer verdwijnen.

Hij houdt zijn hart vast voor wat dat betekent voor de kwaliteit. „We zijn nog lang niet klaar voor zo’n massale omslag”, zegt hij. „De kern van wetenschap is het stellen van vragen en het zoeken naar antwoorden, de ontmoeting met anderen is cruciaal. Dat moet je veilig stellen als universiteit als je wilt overstappen op online onderwijs.” Universiteiten zijn daar te laks in geweest, vindt hij. „En de minister ook. Er werd te makkelijk gedacht dat studenten wel thuis kunnen blijven, dat het zonder die ontmoeting kan. Dat schaadt de kwaliteit.”

En die kwaliteit stond voor corona al onder druk. Hij is stellig: als het aantal studenten blijft stijgen, heeft het onderwijs meer geld nodig. „Het is niet redelijk te verwachten dat er een eindeloze rek in zit, zonder dat het gevolgen heeft voor de kwaliteit.”

Lees ook: Hoorcollege volgt de student nog wel even online

Dat vindt ook Dahran Çoban, voorzitter van studentenorganisatie ISO. „Het hoger onderwijs is de afgelopen jaren stelselmatig uitgehold”, zegt ze. „De politiek heeft zich blind gestaard op de cijfers, maar is blind geweest voor de kwaliteit van leven van studenten.”

Çoban weet waar ze over praat. Ze kreeg tijdens haar studie rechten een burn-out en was twee jaar uit de running. „Ik wilde alles en alles moest perfect: ik roeide op hoog niveau, had bestuursfuncties, en haalde mijn eigenwaarde uit hoge cijfers. Dat ging dus niet.”

Charifa Soulami krijgt een introductie van haar stagebegeleider Susan van Ommen op MBO Rijn IJssel, waar ze stage gaat lopen.
Foto John van Hamond
Charifa Soulami krijgt een introductie van haar stagebegeleider Susan van Ommen op MBO Rijn IJssel, waar ze stage gaat lopen.
Foto: John van Hamond
Charifa Soulami krijgt een introductie van haar stagebegeleider Susan van Ommen op MBO Rijn IJssel, waar ze stage gaat lopen.
Foto: John van Hamond
Charifa Soulami krijgt een introductie van haar stagebegeleider Susan van Ommen op MBO Rijn IJssel, waar ze stage gaat lopen.
Foto’s John van Hamond

Meer lucht, meer ruimte, meer tijd

Çoban heeft haar hoop gevestigd op een nieuw kabinet „dat ons de crisis uit gaat investeren” door meer geld naar het hoger onderwijs te schuiven.

„Er is meer lucht nodig”, zegt Lisa Westerveld. „Ruimte om fouten te maken. Maak studenten verantwoordelijk voor hun eigen studie. Schaf het bindend studieadvies af, daar is het niet te laat voor. De universiteit en de hogeschool moeten weer plekken worden waar je je thuis voelt, plekken die jou hun vertrouwen geven.”

Het hoger onderwijs is nu nog te veel gericht op „snel kiezen, snel klaar”, zegt Harry van der Molen, Tweede Kamerlid voor het CDA. „Een verkeerde studiekeuze of een moeilijke periode in je privéleven vertaalt zich onmiddellijk in: meer kosten. Dat schrikt af.” Want al lijkt het alsof de meeste studenten met groot gemak geld lenen bij DUO, eenmaal afgestudeerd schrikken de meesten van hun schuld – die voor een kwart van de huidige studenten al is opgelopen tot 40.000 euro of meer.

Studenten, maar ook hun docenten, zijn vooral gebaat bij meer rust en onderling contact, zegt oud-minister Bussemaker. „Er kan wellicht wat aan het leenstelsel verbeterd worden, maar ik denk dat er vooral meer maatwerk nodig is door studenten die het nodig hebben meer begeleiding en meer tijd te geven. Het hóeft niet allemaal, en ook niet allemaal nú.”

Bied studenten meer begeleiding, bepleit oud-minster Ritzen. „Wie bedenkt dat die jonge mensen alles al zelf moeten kunnen? Uit onderzoek van hoogleraar Eveline Crone blijkt dat ze daar nog helemaal niet aan toe zijn. Zeker onze eerste- en tweedejaars hebben hulp nodig bij hun keuzes.” En, zegt hij: „We moeten af van die vreselijke mythe dat de studententijd de leukste tijd van je leven is.” In je studententijd moet je lekker studeren, dat is fantastisch genoeg.”

Jade Bergraaf (19) ‘Geld opzij gezet’

„Ik ga aan rechtsgeleerdheid beginnen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en voor het eerst op kamers. Vorig jaar heb ik rechten gedaan aan het hbo in Nijmegen, daarvoor havo en vmbo. Ik ben bij mijn ouders in Panningen in Limburg blijven wonen omdat ik Nijmegen een minder leuke stad vind.

Ik heb een kamer gevonden in een studentencampus in Amstelveen. Omdat ik van ver moet komen, kreeg ik voorrang. De huur ga ik lenen. Verder heb ik nog geen studieschuld. Sinds mijn veertiende heb ik bijbaantjes en ik heb elke maand geld opzij gezet. Mijn ouders betalen mijn collegegeld.

Het is spannend en leuk om naar Amsterdam te gaan, maar ook jammer dat colleges en tentamens tot en met januari online zijn. Nieuwe mensen leren kennen gaat dan niet zo makkelijk. Er woont wel familie in Amsterdam, dat is fijn. En ik ga afspreken met een meisje uit m’n klas.”

Floris de Kruijff (22) ‘Geen zorg om werk’

„Ik heb drie jaar mbo gedaan, één jaar hogeschool en nu ga ik het laatste jaar in van mijn bachelor informatiekunde en informatica op de Universiteit Utrecht. Op alle drie de scholen deed ik dezelfde studie: heel leuk om het verschil te zien in niveau en mensen.

Ik leen al een hele tijd maximaal, ik zit nu rond de 25.000 of 30.000 denk ik. En ik moet nog ongeveer vier jaar. Ik heb het geluk dat ik een studie doe waarbij ik me niet veel zorgen hoef te maken om werk. Naast mijn studie werk ik ook: ik breng leaseauto’s terug van klanten naar dealers.

Vaak hoor ik mensen zeggen dat de druk hoog is, maar zelf heb ik daar niet veel last van. Je moet wel veel doen, maar je krijgt er ook veel voor terug. Voor mij is een stelregel: 50-50. Studeren én tijd overlaten voor andere leuke dingen, zoals mijn studentenroeivereniging Triton of vrienden van vroeger.”

Rianne Dwarswaard (20) ‘Iets anders doen’

„Ik ga naar het derde jaar van mijn studie cultureel erfgoed aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en woon nog bij mijn ouders, in Voorhout. Ik maak me wel zorgen of ik een baan ga vinden. Door de ontwikkelingen in de culturele sector wordt het vooruitzicht nog slechter. Ik denk erover hierna toch iets anders te gaan doen.

Door corona is er veel veranderd. Mijn stage hield na zeven weken op, ik verloor mijn leuke bijbaan als museumdocent in Leiden. Ik heb best een hechte groep vrienden van m’n opleiding, we gingen vaak naar musea en uit eten, en dat viel allemaal weg.

Ik heb er wel echt last van gehad. Een paar weken heb ik veel gehuild. Vanuit de opleiding heb ik niet echt ondersteuning gehad, dat vond ik lastig.

Het gaat nu wel weer beter. Maar ik kijk niet uit naar het nieuwe schooljaar. In elk geval de eerste twee blokken zijn nog helemaal online. Het is een lastige tijd, maar ik ga ervan uit dat het uiteindelijk goedkomt.”

Eize Boonstra (20) ‘Liever op de campus’

„Vorig collegejaar had ik een verrassend lastig tentamen, Calculus 2. Het slagingspercentage is 35 procent. Gelukkig heb ik het op het nippertje gehaald met een 5,5. Door het bindend studieadvies móet je dit vak halen óf alle andere wiskundevakken - en die zijn niet bepaald simpel. Die druk geeft stress, maar ik probeer daar zo min mogelijk op te letten en gewoon mijn best te doen. Ik begin nu aan tweede jaar technische natuurkunde aan de Universiteit Twente.

Ik woon in Enschede op kamers. Door corona woon ik weer meer bij mijn ouders, omdat er op de campus niets te beleven is. De komende tijd mogen we gelukkig wel weer met een paar kleine werkgroepen bij elkaar komen om aan koelkasten te sleutelen. Ik zou het heel chill vinden als we weer gewone, fysieke colleges krijgen. Op de campus werk ik veel efficiënter en gedisciplineerder.”

Charifa Soulami (23) ‘Nog harder werken’

„Al voor corona werkte ik keihard om mijn studie bestuurskunde op de Avans Hogeschool in Breda op tijd af te ronden, om te voorkomen dat ik mijn beurs terug moet betalen. Gemiddeld ben ik minstens veertig uur per week aan het studeren. Door corona werd de werkdruk nog hoger. Opdrachten die je normaal met een groepje medestudenten kan maken, duurden nu veel langer. Er waren klasgenoten die hier echt last van hadden, mentaal. Zelf lig ik gelukkig nog op schema, maar ik moet eerlijk zeggen dat dat komt doordat ik nachten door heb gehaald.

Op school adviseren ze ons om niet te werken naast je studie, maar je komt er tegenwoordig niet met een diploma alleen. Daarom werk ik minstens 20 uur om ervaring op te doen.

Mijn familie komt uit Marokko, mijn broers en zussen en ik zijn de eersten in de familie die gingen studeren. Ik had een hoge citoscore, maar kreeg ik een vmbo-advies. Gelukkig had ik toen al een sterke innerlijke drijfveer om verder te komen. Ik wist dat er meer in mij zat. En kijk nou, ik ben bijna afgestudeerd.”