Opinie

Met je hoofd tegen een verkeersbord

Wilfried de Jong

Vervelend, die ingebouwde coronasensor in mijn oog. Speuren naar overtredingen van de regels tijdens de Tour de France. Op Frans grondgebied ligt de komende drie weken alles wat niet mag onder een vergrootglas.

Neem nou het mondkapje van Julian Alaphilippe. De winnaar van de tweede etappe deed een interview met de Franse televisieverslaggever en voelde hoe dat goedkope ding langzaam van zijn neus afgleed. Het bleef steken in zijn snor. Te laag. Mag niet. Een verzorger had een knoopje moeten leggen in de elastiekjes achter de oren van zijn kopman.

Bij de laatste beklimmingen en vooral langs het parcours in Nice stond het soms drie rijen dik – in een zone die als ‘rood’ was aangemerkt – en onderweg rolden bidons over het asfalt naar kindervoetjes langs de kant. Niet aan lurken, besmettingsgevaar.

Het moest maar eens ophouden, mijn politieagentje spelen vanaf de bank.

Deze Tour werd aangeboden door de Franse minister van Sport, die al in maart blufte dat de belangrijkste wielerwedstrijd van het jaar doorgang zou vinden. Ze kreeg gelijk. En hoe arrogant dat besluit ook was, nu moest ik naar de sport gaan kijken en niet spieden als een coronacontroleur tijdens een bruiloftsfeest.

De kerkklok in een afgelegen bergdorpje in het achterland van Nice hielp een handje. De wijzers op de plaat konden het ritme van deze tijd niet volgen. De klok liep een half uur achter. Het maakte me niets uit; ik hoefde geen trein te halen, er lag niets te garen in de oven.

De Tour de France is gemaakt om de tijd te vergeten. Drie weken, iedere middag weer. Zelfs bij deze 107de editie zou je moeten doen of je dit sportevenement voor de eerste keer ziet. Terug naar de blik van een jongetje dat vol verbazing voor het eerst kijkt naar honderdtachtig mannen op een fiets die een route afleggen door een oneindig landschap.

Liever een opengevallen mond dan een geheven vingertje.

Ogen dicht? Zeg maar, wat heb je allemaal gezien?

‘Ik zag een wielrenner over de weg glijden, écht glijden, hij kwam met zijn hoofd tegen een verkeersbord en reed gewoon door. Eentje fietste met losse handen, hij zat rechtop en opeens ging iedereen langzamer fietsen. Boven het peloton zweefde een vogel – even in mijn Petersons-gids kijken – waarschijnlijk een vale gier met een maximale spanwijdte van 2 meter 70. De wielrenners reden precies honderd haarspeldbochten, denk ik. Een Italiaan had verband om zijn armen en benen, hij zat scheef op zijn zadel. Van de pijn. Langs de kust stond een kasteel op een bergtop, met een rode vlag hoog in de mast. Daar wil ik een keer slapen. Soms hangen ze helemaal scheef in de bocht. Tom kan goed onderhands drinken, maar later rolde hij over de weg. O ja, helemaal aan het eind had de winnaar een slap mondkapje …’

Mooi jongen, je hebt genoten, begrijp ik.

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.