Het ooit roemruchte Williams gaat met nieuw geld de malaise te lijf

Formule 1-team Williams Met de verkoop van de voormalige toprenstal Williams aan Amerikaanse investeerders verliest de Formule 1 zijn laatste privéteam.

De iconische geel-blauw-witte auto van Williams begin jaren negentig, tijdens de GP van Monaco in 1991, bestuurd door de Brit Nigel Mansell, die een jaar later wereldkampioen werd.
De iconische geel-blauw-witte auto van Williams begin jaren negentig, tijdens de GP van Monaco in 1991, bestuurd door de Brit Nigel Mansell, die een jaar later wereldkampioen werd. Foto Howard Boylan/Getty Images

Alsof de Galliërs na jaren van dapper verzet de strijd staakten en de poorten open zetten voor de Romeinen. Zo moet voor veel racefans de verkoop van Williams hebben gevoeld. Het roemruchte Britse raceteam – in de periode 1980-1997 goed voor zestien wereldtitels (negen bij de constructeurs en zeven bij de coureurs), maar zondag bij de GP van België slechts veldvulling – komt in handen van een Amerikaans investeringsfonds.

De overname betekent het einde van een tijdperk voor de Formule 1. In de hoogste autosportklasse was Williams het enige overgebleven onafhankelijke team, bestierd door dezelfde familie die het eind jaren zeventig opzette. Grote autoconcerns, bedrijven of financiers hadden er niets te zeggen. Daarmee was de renstal een reliek uit een vervlogen periode. Het verhaal van Williams staat voor wat de sport ooit was, en voor wat ze in de loop van de tijd is geworden.

Met geld dat hij onder meer had verdiend als rondreizend vertegenwoordiger voor soepmerk Campbell’s begon Frank Williams (1942) in 1966 een F1-team. Na een paar jaar ploeteren zonder veel aansprekende resultaten werd de racefanaat en voormalig coureur er door een zakenpartner uit gegooid. Williams begon opnieuw en richtte in 1977 Williams Grand Prix Engineering op, het team dat nu nog altijd bestaat.

Veredelde schuurtjes

Williams werd actief in de Formule 1 in een periode van Britse dominantie. Het WK, waar aanvankelijk Italiaanse autobouwers als Alfa Romeo, Ferrari en Maserati de dienst uitmaakten, was in de jaren zestig het terrein van privéteams als Lotus, Cooper en Brabham. Kleine teams, geleid door hun oprichters, met een paar techneuten in dienst die de auto’s ontwierpen en in elkaar sleutelden, vaak in veredelde schuurtjes.

Ook Williams was zo’n zelfstandige renstal. Met zijn compagnon, de ingenieur Patrick Head, bouwde Williams het team uit tot een grootmacht. Alan Jones, Keke Rosberg en Nelson Piquet werden in de jaren tachtig wereldkampioen. Begin jaren negentig verpletterde het team de concurrentie. Nigel Mansell en Alain Prost werden met overmacht kampioen in bolides die voorzien waren van destijds hypermoderne technische vondsten, zoals tractiecontrole, ABS en computergestuurde wielophanging. Hun geel-blauw-witte Williams-wagens werden iconisch.

Coureur Damon Hill (R) luistert naar teambaas Frank Williams (L) tijdens een trainingsronde voor de Grand Prix van Australië in 1995. Foto Reuters

Tijdens de gloriejaren van Williams – wreed verstoord door het verongelukken van Ayrton Senna in 1994 op Imola – veranderde de Formule 1 totaal. In wat aanvankelijk een enigszins amateuristisch rondtrekkend circus van hobbyisten was, werd geld steeds belangrijker. De spil in dat proces was Bernie Ecclestone, een voormalig verkoper van tweedehands auto’s die het Brabham-team had overgenomen en al snel de commerciële potentie inzag van de sport. Ecclestone, een gehaaid zakenman, verwierf in 1981 het recht om namens de teams collectief te onderhandelen over de lucratieve uitzendrechten. Hij maakte een televisiesport van de Formule 1, die enorm aan populariteit won en steeds meer sponsors en investeerders aantrok. De miljoenen begonnen binnen te stromen.

De teams moesten mee in de professionaliseringsslag en belandden in een financiële wedloop. In 1990 had Williams een jaarbudget van – omgerekend en gecorrigeerd voor inflatie – 38 miljoen euro. In 2018 was dat weliswaar gestegen tot 150 miljoen, maar een schijntje vergeleken met Mercedes en Ferrari, die circa 330 miljoen uitgaven. Het personeelsbestand van Williams groeide intussen van 150 naar meer dan 600 man.

In de loop der jaren verdwenen steeds meer privéteams. Ze werden overgenomen door vermogende partijen of gingen failliet. Alleen Williams bleef over.

De teams waarmee het anno 2020 concurreert zijn allemaal eigendom van autofabrikanten, grote bedrijven of rijke investeerders. De meeste kleinere teams hebben banden aangeknoopt met grotere stallen. Racing Point koopt bijvoorbeeld zijn motor, versnellingsbak en achterwielophanging bij Mercedes. Haas en Alfa Romeo werken nauw samen met Ferrari. Zo hoeven ze minder geld uit te geven aan kostbare research and development en leggen ze voor een relatief zachte prijs de hand op gedegen technologie.

Baas in eigen huis

Williams wilde baas blijven in eigen huis. Het sloeg vijftien jaar geleden een overnamebod van BMW af en wees in 2017 miljardair Lawrence Stroll de deur. Aan onderdelen inkopen wilden Frank en zijn dochter Claire, die haar vader in 2013 de facto opvolgde als teambaas, al evenmin denken. Williams moest en zou alles zelf maken. Om geld op te halen verkocht de familie wel een deel van de aandelen, onder meer via een beursgang. Maar Frank – na een auto-ongeluk in 1986 aan een rolstoel gekluisterd – hield zelf een meerderheidsbelang.

„Frank en Patrick Head hebben decennialang voor onze onafhankelijkheid gevochten, en dat hebben ze ontzettend goed gedaan”, zei dochter Claire in 2018 nog. „Het is mijn verantwoordelijkheid die onafhankelijkheid te beschermen.”

De huidige bolide van Williams tijdens de GP van België zondag, met achter het stuur de Brit George Russell.

Foto Stephanie Lecocq/AP

Niet alleen qua businessmodel maar ook sportief werd Williams steeds meer ingehaald door de concurrentie. In 1996 en 1997 won het team met Damon Hill en Jacques Villeneuve zijn laatste WK’s. Later volgden nog wel wat overwinningen in races, maar de wereldtitel verdween gaandeweg uit zicht. Dat kwam door het lage budget en het hoge verloop op managementposities. Maar ook door de weigering van Williams de realiteit onder ogen te zien: dat privéteams in de moderne Formule 1 geen kans meer maken.

Een korte opleving een paar jaar geleden ten spijt is nu de bodem bereikt. Williams werd twee seizoenen op rij laatste in het WK voor constructeurs. Ook dit jaar rijdt Williams in de achterhoede. George Russell haalde zondag op Spa-Francorchamps de finish niet en Nicholas Latifi werd zestiende.

De malaise bracht Williams op het punt waar het nooit had willen staan. Een verlies van 13 miljoen pond over 2019, de impact van de coronacrisis en het vertrek van hoofdsponsor Rokit deden de familie inzien dat er nog maar één manier was om het team niet te laten omvallen. Eind mei ging het persbericht de deur uit: Williams stond te koop. Drie maanden later is de zaak beklonken. Investeringsfonds Dorilton Capital uit New York betaalt 152 miljoen euro, Frank Williams draagt na 43 jaar de sleutels van zijn raceteam over. Dochter Claire behoudt voorlopig de leiding.

Voortbestaan verzekerd

Nu, onder zijn nieuwe eigenaar, mag Williams met voorzichtig optimisme naar de toekomst kijken. Niet alleen omdat het voortbestaan is verzekerd, maar ook omdat de Formule 1 gaat veranderen. Er komt volgend seizoen een begrotingsplafond van 122 miljoen euro, zodat de uitgaven van de grote en kleine renstallen veel dichter bij elkaar komen te liggen.

Daarnaast sloten alle teams vorige week nieuwe commerciële overeenkomsten met autosportfederatie FIA en de Formule 1. In dit ‘Concorde-akkoord’, dat loopt tot 2025, staat hoe de tv-inkomsten worden verdeeld. Dat gebeurde tot nu toe oneerlijk: Ferrari, Red Bull en Mercedes kregen tientallen miljoenen meer dan de rest. In de nieuwe afspraken zijn die verschillen grotendeels gladgestreken.

Zowel het budgetplafond als de nieuwe commerciële en technische afspraken zijn er in belangrijke mate op gericht de sport eerlijker en rendabeler te maken voor de ‘kleintjes’ – zoals Williams.

Claire Williams ziet een mooie toekomst voor de renstal. De verkoop biedt „een pad richting succes”. „Dit is misschien het einde van een tijdperk voor Williams als familiebezit, maar we weten dat het team in goede handen is.”