Reportage

Nog één keer samen op de foto – dan zijn de varkens van boer Herman Krol weg

Varkenshouderij Zijn halve leven hield Herman Krol varkens, maar nu maakt hij gebruik van de populaire ‘stoppersregeling’. NRC volgde hem in de laatste maanden en sprak hem over zijn vak, het besluit te stoppen en een Brabant met minder varkens.

Boer Herman Krol bij zijn varkens.
Boer Herman Krol bij zijn varkens. Foto John van Hamond

Twaalf miljoen varkens zijn er in Nederland. Zeugen, biggetjes en vleesvarkens die na een maand of zes tot acht naar de slacht gaan. Je kunt het halve land doorrijden en geen varkensstal tegenkomen, maar op andere plekken wonen meer varkens dan mensen. Neem de Brabantse gemeente Bernheze, met dertien varkens op elke inwoner.

Het is de plek waar Herman Krol al ruim dertig jaar vleesvarkens houdt. Hij groeide op in een Brabants boerengezin met tien kinderen. Zijn vader had een bedrijf met wat koeien, varkens en een beetje akkerbouw. Hij denkt niet dat de generaties vóór hem ooit iets anders zijn geweest dan boer.

In de jaren tachtig begon Krol voor zichzelf. Zijn vader stond borg voor zijn lening van 700 gulden keer 1.800 varkens. Bijna 1,3 miljoen gulden, een kleine 6 ton in euro’s. „Voor een jongetje van 24! Maar ik vond dat helemaal niet eng, ik was ervan overtuigd dat ik het ging maken.” Later bouwde hij er twee stallen bij en ging naar 6.000 varkens, drie keer zoveel als waar hij mee begon. Een gezond bedrijf, zegt hij zelf. Een goede basis voor de volgende generatie.

Maar die komt er niet: zijn kinderen willen geen varkensboer worden. Zelfs de jongste niet, die een agrarische opleiding in Wageningen afrondde. Dus schreef Krol zich in voor de zogeheten ‘stoppersregeling’ in de varkenshouderij, bestemd voor de meest varkensrijke gebieden in Gelderland, Limburg en vooral Brabant.

Die regeling werd ooit opgezet om stankoverlast op het platteland te verminderen, maar inmiddels is de ‘stikstofwinst’ van bedrijven die stoppen het kabinet waarschijnlijk meer waard.

Het werd een onverwacht succes: ruim 400 bedrijven doen mee, 10 procent van de Nederlandse varkensboeren. Twee keer meer dan gedacht. Het ministerie van Landbouw komt ze maar wat graag tegemoet: het budget werd ruim 2,5 keer verdubbeld: van 180 naar 455 miljoen euro. Naar schatting verdwijnen ongeveer een miljoen varkens uit Nederland.

NRC volgde Krol dit jaar: vanaf het moment dat hij zich heeft ingeschreven voor de stoppersregeling, tot aan het moment dat zijn stallen leeg zijn. Waarom stopt hij? En hoe moet het nu verder na de varkens – met Krol zelf én met het Brabantse platteland?

Krol in zijn varkensstal. Foto John van Hamond

Maart 2020

Het is begin maart. Carnaval is net achter de rug, maar dat wil niet zeggen dat er niet gewerkt is. Eén keer per week, op zondag, komt er een vrachtwagen langs om een deel van de varkens naar de slacht te brengen. „Zondagmiddag zaten we in het café en zondagavond stonden we gewoon varkens in te laden. Dan hebben we een borreltje op, maar dan doen we het gewoon wat langzamer.”

Kort na de eerste afspraak met NRC zou de gemeente Bernheze, waar Herman Krol met zijn vrouw woont, een van de zwaarst getroffen coronagebieden worden. Het gesprek vindt nog net plaats vóór handen schudden in de ban gaat.

De koffie serveert Krol in een mok met de tekst Proud to be a farmer. Speciaal uit de kast gepakt. Dat het even duidelijk is: Krol is de varkens niet zat. Net als veel andere boeren – gewend aan kritiek vanuit de samenleving – zit er een overtuigingsdrang in hem. Hij wil een positief verhaal over de ‘reguliere’ varkenshouderij, de manier waarop de meeste varkens in Nederland gehouden worden.

Bij een rondleiding door de stallen is zijn enthousiasme bijna grenzeloos. Wanneer bij het openen van de deur de varkens door het hok stuiven, roept Krol: „Moet je kijken hoe ze spelen!” Hij weet natuurlijk dat mensen het zielig vinden dat varkens in een betonnen hok zitten. Die van hem hebben 0,8 meter per stuk. Maar híj ziet varkens die het naar hun zin hebben: „Ze hebben gewoon lol.”

Minstens zo tevreden is hij over de mestverwerkingsinstallatie die hij met collega’s heeft gebouwd, waarbij ook biogas vrijkomt. „Wij hebben verantwoordelijkheid genomen voor het mestprobleem.” De verwerkte mest wordt geëxporteerd. „En met het biogas maken we stroom voor 6.400 gezinnen.”

Over de restproducten die hij zijn varkens voert, zegt hij: „Die vegetariërs roepen allemaal: ik ben goed bezig voor het milieu. Maar alles wat je eet, zorgt voor een reststroom. Wij zijn broodnodig voor de circulaire economie.” Hij voert zijn varkens nu bijvoorbeeld ‘smulmelk’. Dat is het water dat overblijft als FrieslandCampina een vlamachine schoon heeft gespoeld. „Varkens moeten toch drinken en ze vinden het nog lekker ook.” En dan geeft hij ze ook afgekeurde friet die te kort is of een zwart plekje heeft, citruspulp, of brood. „Weet je hóéveel brood er weggegooid wordt?”

Krol checkt de voedingssupplementen van zijn varkens. Foto John van Hamond

Eigenlijk vindt Krol het idioot dat er zoveel varkensboeren in Nederland stoppen. Geen land kan het beter, zegt Krol. „Wij zitten hier super, vlakbij de havens en bij kanalen. Waarom denk je dat hier in Brabant zoveel voedingsmiddelenindustrie zit?”

Zijn enthousiasme heeft zijn kinderen niet overtuigd. Zijn oudste twee zijn ver weg van de landbouw gebleven: de een zit in de detachering, de ander in de IT. Maar ook zijn jongste zoon haakte af nadat hij eerst geïnteresseerd leek. „Toen ik wist dat de opkoopregeling er aankwam, vroeg ik hem: wa gade doen? Nou, hij is liever onder de mensen.” Hij werkt nu in de veevoerindustrie.

Dat zijn zoon niet door wil, is niet uitzonderlijk. Zo’n 60 procent van de boeren boven de 55 jaar heeft geen opvolger, berekende het Centraal Bureau voor de Statistiek. Boer worden is weinig aantrekkelijk voor jonge mensen. De kosten zijn hoog, de opbrengsten vaak niet (in een normaal jaar verdient een varkenshouder 30.000 euro). Boeren voelen zich bovendien niet gewaardeerd door de maatschappij. Krol: „Ik ken iemand van wie de zoon zei: maar je denkt toch niet dat ik op school ga vertellen dat mijn vader varkenshouder is?”

Feit is dat de varkenshouderij, zo blijkt uit onderzoek van Wageningen University, bij burgers het slechtste imago heeft van alle agrarische takken. Daar zijn door de jaren heen talloze oorzaken voor aan te wijzen: mestoverschotten, mestfraude, gebrek aan dierenwelzijn, hoog antibioticagebruik, steeds grotere stallen, en niet te vergeten de stankoverlast.

De optimist zegt: maar het is nu veel beter dan vroeger. Dat klopt ook, zegt Robert Hoste, econoom varkensproductie van Wageningen University en Research (WUR). „De overbemesting is aangepakt, er is minder geuroverlast, minder ammoniakuitstoot, er worden veel minder biggen gecastreerd en het antibioticagebruik is veel lager dan vroeger.”

Maar de pessimist zegt: er is nog steeds van alles mis. Zo werden er vorig jaar nog celstraffen uitgedeeld voor grootschalige mestfraude. Ook stagneert de daling van antibioticagebruik en sterven er nog steeds veel biggen (bijna 13 procent in 2019). En bij zeker 98 van de 100 dieren wordt de staart gecoupeerd om staartbijten, wat varkens uit onder meer verveling doen, te voorkomen. De overheid wil af van deze symptoombestrijding, maar het schiet nog niet op.

Op andere vlakken hebben de dieren het wel beter gekregen, volgens Hoste. „Ze hebben iets meer ruimte, er is wat speelmateriaal tegen de verveling.” Maar erg uitbundig is het allemaal niet, geeft hij toe. Daar – een refrein in de varkenshouderij – is geen geld voor.

Lees ook: Een lange krulstaart is een keurmerk op zich

Niet voor niets plaatste een deel van de varkensboeren deze zomer spandoeken in hun voortuin, met de tekst: ‘Opbrengst varkensvlees 1970: 1,60 euro per kilo, 2020: 1,50 euro per kilo’. Tel daar de stijgende kosten van voer bij op, en de kosten om te voldoen aan alle regels op het gebied van milieu en dierenwelzijn en je begrijpt dat varkensbedrijven door de jaren heen steeds groter worden. Schaalvergroting is de enige manier om nog aan ‘reguliere’ varkens te kunnen verdienen.

Een vaak gehoorde klacht: je hebt de burger, met al zijn kritiek op de veehouderij, en de consument, die gewoon de laagste prijs wil betalen. Overigens is dat maar voor een deel een Nederlands probleem, want ongeveer driekwart van het Nederlandse varkensvlees gaat naar het buitenland.

Als Krol nog een tijdje door had willen gaan, had hij opnieuw geld in zijn stallen moeten steken. De provincie Brabant wil dat boeren uiterlijk in 2024 hun stallen verduurzamen om de stikstofuitstoot te verminderen, vier jaar eerder dan de rest van Nederland. „Ik ben 59”, zegt Krol. „Ik ga niet nog 500.000 euro investeren.”

Dus is hij straks geen boer meer. Hoe zal het zijn om over een paar maanden de laatste varkens weg te doen, vraagt NRC hem in maart.

„Ik denk dat ik net zo nuchter ben als anders, vertelt Krol aan zijn keukentafel. „Met vleesvarkens heb je natuurlijk niet zo’n band als een koeienboer die zijn beste koe wegdoet. Varkens zijn toch altijd na vier maanden weer weg.”

Maar zijn vrouw Henriëtte, die ook is aangeschoven, ziet dat anders: „Ik denk dat het ons zéker wat doet. En onze kinderen ook.”

Krol: „Ja, die willen er wel bij zijn als de laatste varkens weggaan.”

Zijn vrouw: „Op zondagavond hielpen zij vroeger mee. Dat gaan we straks nog één keer doen. Allemaal een overall aan. Dan maken we foto’s en sluiten we het echt af. Ja, want dan zijn de varkens weg.”

En daarna?

Krol: „Het zal vooral raar dat je niet meer naar achter moet. Het is nu gewoon geen discussie, ik moet naar de varkens, elke dag.”

„We moeten weer een balans vinden”, zegt zijn vrouw. „ Ik werk niet buitenshuis. Ik doe de administratie van het bedrijf en ik help ook echt mee in de stallen. Ik ben 57 jaar, Herman is 59. Wat kunnen we doen?”

Krol veert op. „Nou! Ik denk dat we het platteland levend moeten houden. Ik heb een verzoek ingediend voor tiny houses, kijk, daar midden in het veld. Als ik die stallen wegdoe, wat moet ik dan? Alleen maar gazon overhouden?”

Alsof hij het tegen de verantwoordelijke gemeenteambtenaar heeft, steekt hij van wal over de voordelen van tiny houses. Voor starters die geen woning kunnen vinden, voor ouderen wiens pensioen in hun woonhuis zit en mensen die willen ontspullen. „Als ik nou een mooie vijver maak, en ik zet er tien tiny houses omheen. Dan maak ik een loods voor hun spulletjes, een zaaltje waar ze een feestje kunnen geven... Wat wil je nog meer? En dan heb ik zelf ook iets om handen.”

Lees ook dit onderzoeksverhaal over grootschalige mestfraude: Het Mestcomplot

Augustus 2020

Het eerste weekend dat de stallen leeg waren, heeft hij gefietst met zijn vrouw. Dat was in juli. „Ik had echt weekend, op zich heel fijn.” Geheel volgens plan ging het gezin voor die tijd samen met de laatste dieren op de foto.

Punt is alleen: het is tot nu toe het enige vrije weekend geweest. Want Krol heeft toch weer varkens staan. Dat heeft alles met het coronavirus te maken, waardoor de geoliede varkensmachine vast is gelopen. Slachthuizen draaiden door coronamaatregelen niet op volle toeren. Daardoor hielden boeren vleesvarkens langer in huis. Maar op zogeheten vermeeringsbedrijven zijn al maanden daarvoor zeugen geïnsemineerd en stonden vervolgens biggen klaar die eigenlijk de plek van die andere varkens moesten innemen. Wat volgde is een biggenoverschot.

Dus deed een collegaboer „een beroep” op hem en heeft Krol nu 4.000 biggetjes staan. Dat mag ook, zegt hij. Nadat hij officieel hoorde dat hij deel mocht nemen aan de uitkoopregeling, mocht hij nog acht maanden varkens houden.

Op deze dinsdag in augustus drinkt Krol een kop koffie met collega-boer en buurman Maarten van der Vleuten. Min of meer hetzelfde verhaal: vier zonen en een dochter, maar geen opvolger. „Ze studeren allemaal op universiteiten. Die hebben geen interesse.” Ook hij stopt. Alleen al in de gemeente Bernheze kennen ze zo nog twintig andere varkensboeren die dat ook doen, zeggen ze allebei.

Maar de opkoopregeling komt voor Van der Vleuten eigenlijk „te vroeg”. Hij is 53. „Nou moet ik iets anders gaan doen.”

Een stoppende boer is meer dan alleen een privéprobleem. Brabant is dé varkensprovincie van Nederland: 6 van de 12 miljoen varkens worden hier gehouden. De varkensbedrijven ontstonden hier ooit op de arme zandgronden, die weinig geschikt zijn voor andere vormen van landbouw. Daar komt bij dat de grote Brabantse katholieke boerengezinnen sowieso te weinig grond hadden om te verdelen onder alle zoons, zegt WUR-econoom Hoste. Dus kozen die vaak voor varkens: als je het voer elders inkocht, had je daar feitelijk geen land voor nodig.

Maar elke tien jaar halveert het aantal varkensboeren in Nederland. Dat is al decennia zo, ook zonder dit soort uitkoopregelingen. Met alle gevolgen van dien voor het platteland.

Peer Verkuijlen houdt zich in opdracht van de provincie Noord-Brabant sinds drie jaar bezig met ‘leegstandproblematiek’. Hard nodig, zegt hij, voor de kwaliteit en leefbaarheid van het landelijk gebied. Niet in het minst omdat drugscrimimelen de lege stallen ook weten te vinden. „In mijn beeld is de helft van de boeren wel eens benaderd. Ik hoorde kortgeleden nog dat er 10.000 euro huur voor een lege stal aangeboden werd, per maand.” Dat moest een wietkwekerij worden. „Die boer was wijs genoeg om te zeggen: wegwezen. Maar soms wordt het intimiderend gevraagd. En wat als het water je financieel aan de lippen staat?”

Verkuijlen stimuleert boeren om zelf goed na te denken wat goed bij hen past en waar ze gelukkig van worden. „Denk niet: de buurman heeft een caravanopslag, dan doe ik dat ook maar.”

Bij de begeleiding hebben hij en zijn collega’s soms bijna de rol van psycholoog of mediator. Stoppen is voor boeren vaak een emotionele aangelegenheid en bij een deel van hen zit veel boosheid. „Wat binnen de agrarische sector meer en meer is gaan spelen, is het gevoel dat iedereen tegen je is en dat de overheid alleen maar maatregelen oplegt.”

De gemeente wordt daarom gewantrouwd, merkt hij, en veelal is dat wederzijds. Maar dat is onhandig als je samen tot afspraken moet komen. „Een boer is gewend aan de keukentafel een plannetje te maken, vaak met een adviseur. Dat wordt uitgewerkt, dichtgetimmerd en bij de gemeente over de schutting gegooid: ik wil een vergunning. Dan zegt de gemeente: dat kan zo niet. Wij raden aan: meld je aan de voorkant om sámen in gesprek te gaan.”

Gelukkig, zegt Verkuijlen, gaat dat vaak al wat beter. Maar het blijft een moeizaam proces, en het wemelt nog niet van de succesverhalen. „Je loopt al snel tegen regelgeving aan.” Maar een paar leuke uitkomsten zijn er wel, zoals een jong stel dat een B&B met paardenstallen begon, waar ze ruitertochten aanbieden.

Maarten van der Vleuten, de buurman van Krol, zet in op een zonnepark en hoopt op een loods met een industriële bestemming, waar bijvoorbeeld een distributiecentrum in kan komen. Van der Vleuten zit bij een rioolwaterzuivering. „Veel is er bij mij niet mogelijk.”

Voor de tiny houses van Krol ziet het er intussen niet goed uit. Al in mei laat hij aan de telefoon weten dat de gemeente hem een brief „van vier regels” stuurde waarin stond dat de huisjes niet bij de ‘agrarische-intensieve’ bestemming van het gebied passen. Vroeger was zo’n bestemming handig, dan kon hij als boer tenminste nog uitbreiden, maar nu komt dat niet goed uit.

Nu hoopt hij op een zonneweide.