Opinie

Kinderen moeten oppassen voor auto’s. En dat is niet normaal

Verkeer Hoezo horen kinderen auto’s te vrezen, vragen en zich af.

Cyprian Koscielniak

In de dagen direct na de zomervakantie belandt er ieder jaar bijna een complete schoolklas aan fietsende kinderen op de eerste hulp. De rest van het jaar vinden er volgens de schatting van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) nog eens circa tweeduizend verkeersongelukken plaats waarbij kinderen tot 15 jaar ernstig gewond raken. En gebeuren er zeventien ongelukken per schooldag in de omgeving van scholen waar de politie aan te pas komt, bleek uit onderzoek van RTL Nieuws.

En dus hangt Veilig Verkeer Nederland (VVN) nu een paar weken lang spandoeken op met de tekst: ‘De Scholen Zijn Weer Begonnen’. Op haar website kun je lezen hoe scholier Mats en zakenman Joop zich voorbereiden op de gevaren op straat. Mats (12) vraagt zijn moeder om samen met hem de route te verkennen en zijn fiets te inspecteren. Want als hij de weg moet zoeken of wanneer zijn licht kapot is, loopt hij gevaar. Joop, een man van middelbare leeftijd die met zijn auto op weg gaat naar zijn werk, vertelt: „Kinderen verrassen nogal eens. Als je een groepje naast elkaar ziet fietsen, moet je erop beducht zijn dat ze een onverwachte move maken.”

Dat klinkt welwillend. Maar achter Joops woorden en ook die van Mats gaat een wereldbeeld schuil waarin vaststaat dat de straat ongeschikt is voor kinderen. En dat is nogal een bewering, als je er even over nadenkt. Want waarom zou de publieke ruimte er niet ook voor kinderen zijn? Waarom is het onverwachte en verrassende gedrag dat zij van nature vertonen niet ingecalculeerd op onze straten en wegen?

Dwaas

In 1908, toen automobilisme nog voor ‘sport’ doorging, drukte het Algemeen Handelsblad in het sportkatern de „wenken voor automobilisten” af. Die waren opgesteld door de „president der Chicago-Automobiel-Club”. We citeren er een paar:

Lees ook: Dwarse bedenker van de bloemkoolwijk

„Nooit een hoek omgaan zonder een waarschuwingssignaal te geven.” „Het is dwaas in drukke straten anderen voorbij te willen rijden. De paar gewonnen ogenblikken vormen slechts een armzalige vergoeding voor het gevaar, dat men uitlokt.” „Vergeet nooit dat vrouwen en kinderen in gevaar bijna altijd juist het tegenovergestelde doen van wat zij moeten doen.” „Waar men in een ogenblik van groot gevaar de keus heeft tussen een medemens en zijn eigen wagen, moet altijd de wagen eraan geloven.”

Die laatste wenk getuigde van het besef dat het hier om een ethische kwestie ging. In plaats van het recht van de sterkste en snelste gold de verantwoordelijkheid van de sterkste en snelste.

Schrikbarend

Dat was de wereld in 1908: de automobilist diende zich aan te passen aan het leven op de straten. In de jaren erna reden steeds meer mensen in een auto. En daarmee nam het aantal ongelukken schrikbarend toe. Aanvankelijk leidde dat tot een golf van protest tegen het „dood en verderf brengende monster”, zoals een briefschrijver in de Schager Courant het in 1920 verwoordde.

Maar al snel werd het zo gevaarlijk op straat, dat ouders hun kinderen al op jonge leeftijd begonnen te leren om uit te kijken voor auto’s. Speel niet op straat, maar in een speeltuintje.

Het was het meest pragmatisch om voetgangers en met name (school-)kinderen verantwoordelijkheid te geven, schrijft Peter Norton over deze omslag in zijn boek Fighting Traffic (2008): kinderen stribbelen niet tegen als je ze rechten ontneemt. En door kinderen verantwoordelijkheid te geven, kun je hun ook roekeloos gedrag gaan verwijten. Zo verloren ze hun principiële onschuld.

Verkeersboekjes

Al gauw was iedereen gewend aan dit ‘nieuwe normaal’. In 1924, zestien jaar nadat het Algemeen Handelsblad de ‘wenken’ voor de automobilist had afgedrukt, voedde dezelfde krant nu de voetganger op met „tien geboden”. Dit waren de eerste drie: 1.Steek de straat rechthoekig over. 2.Kijk rechts en links alvorens het trottoir te verlaten. 3.Blijf in geval van gevaar in de as van den weg staan.

In 1932 werd het Verbond voor Veilig Verkeer opgericht, een voorloper van Veilig Verkeer Nederland. Dit verbond zorgde voor de verspreiding van verkeersboekjes in diezelfde geest, die gesponsord werden door de automobiel- en olieindustrie.

Allengs raakten we helemaal gewend te praten over verkeersveiligheid (waarbij de aandacht uitgaat naar degenen die het meeste risico lopen), in plaats van over verkeersgeweld (waarbij degenen die het meeste risico veroorzaken centraal staan).

Cyprian Koscielniak

Je ziet die focus ook terug in de ongevallenstatistieken van CBS en SWOV en in de media die erover rapporteren. Wat betreft het verkeer concentreren onze gesprekken zich vooral op wie er waar en hoe is omgekomen bij verkeersongelukken en wat we daaraan kunnen doen. Natuurlijk is het verdrietig dat er mensen sterven in het verkeer. Maar is het niet veel tragischer en problematischer dat we elkaar ‘per ongeluk’ zo eenvoudig van het leven kunnen beroven? Moeten we dat accepteren?

Op driekwart van alle scholen in Nederland wordt er verkeerseducatie gegeven dat is opgezet door Veilig Verkeer Nederland. Verkeersdiscipline wordt kinderen bijgebracht zodra ze beginnen te kruipen. Ouders leren van YouTubefilmpjes van VVN dat peuters niet goed uit hun ooghoeken kunnen kijken. In werkboekjes op school leren kinderen vanaf groep 4 dat de straat niet van hen is. Dat ze niet op parkeerplaatsen mogen spelen en zelfs niet langs de rand op de stoep.

Ook de ANWB ontwikkelt lespakketten voor scholieren. „De ANWB leert kinderen hoe ze zich moeten bewegen in het verkeer”, aldus de campagneleider van het educatieprogramma Streetwise. Niemand die zich erover verbaast dat uitgerekend de ANWB, ’s lands grootste autolobbyorganisatie, kinderen tegen betaling op scholen mag leren hoe ze zich moeten bewegen op straat.

Zo sterk zijn we gewend geraakt aan het idee van verkeersveiligheid voor kinderen via hun eigen gedrag, dat we nauwelijks meer zien dat dit een keuze is, waarover je principieel van mening kunt verschillen.

Wat als we dat wel weer gaan doen?

Geen nieuw idee

Dat is geen nieuw idee: begin jaren zeventig, vijftig jaar na de eerste ideologische strijd over de plek van de auto in de stad, barstte het debat in Nederland los met ‘STOP de Kindermoord’. Dat was een actiegroep die in het geweer kwam tegen het grote aantal kinddoden in het verkeer (circa 400 per jaar in de jaren 1970-1972). De groep groeide uit tot een landelijk netwerk dat brede maatschappelijke steun kreeg, tot aan het koninklijk huis.

Later omgedoopt tot ‘Stichting Kinderen Voorrang!’ organiseerde dit netwerk de nationale ‘Straatspeeldagen’ waarbij ruim tweeduizend straten in Nederland werden afgesloten voor verkeer en werden opengesteld voor kinderen. Een centraal punt voor de stichting was dat je wel voor meer verkeersveiligheid kunt zorgen, maar dat dit er ook toe kan leiden dat kinderen steeds minder buiten spelen, en pas op latere leeftijd zelfstandig naar school kunnen gaan. Dan heb je misschien minder dodelijke slachtoffers, maar is je straatleven verdwenen.

Stichting Kinderen Voorrang! en de Voetgangersvereniging, ook een club die voor veilige ruimte voor de lopende mens opkwam, fuseerden in 2000, daartoe gedwongen door het ministerie van Verkeer en Waterstaat, met het veel grotere Veilig Verkeer Nederland.

Collectief geheugen

Na een reorganisatie waren er vrijwel alleen nog maar mensen over die uit VVN kwamen en in de huidige statuten van VVN worden de fusiepartners niet genoemd. Zo verdwenen Stichting Kinderen Voorrang!, de Voetgangersvereniging én het hele idee dat er andere perspectieven mogelijk zijn op het gebruik van de straat uit het collectieve geheugen.

En nu is het 2020: vijftig jaar na de grote protesten uit de jaren zeventig, die ook vrijliggende fietspaden en woonerven brachten.

Stop de Kindermoord en de Voetgangersvereniging zijn een paar jaar geleden herrezen in een nieuwe organisatie MENSenSTRAAT, die nu weer zonder subsidie van voren af aan moet beginnen. De groep heeft er al aan bijgedragen dat er bij het ministerie van Infrastructuur en Rijkswaterstaat weer een programmamanager Voetgangersbeleid is, die zich bezighoudt met ruimte voor de lopende mens.

Proeftuinen

De Fietsersbond heeft samen met MENSenSTRAAT, Milieudefensie, Urgenda, Wandelnet en Natuur & Milieu de petitie geefdestraatterug.nl gelanceerd, die nu ruim 3.100 keer is ondertekend. En in Overijssel komen er tien proeftuinen, waarin kinderen op verschillende manieren aan de slag gaan met verkeersveiligheid in de omgeving van hun school. Daar leren zij bijvoorbeeld dat ze burger zijn en dat de openbare ruimte van ons allemaal is.

Het begin is er. Maar het is te vroeg om gerust te zijn en te denken dat er een cultuuromslag plaats vindt. Want Mats leert nog steeds dat hij niet afgeleid mag zijn op de fiets. En Joop denkt nog steeds dat kinderen onverwachte moves maken omdat ze nog geen volleerde verkeersdeelnemer zijn.

De tijd is rijp voor een stevige maatschappelijk discussie over de ‘first principles’ van onze straten, inclusief experimenten zoals die in Overijssel. De uitkomst hiervan is bepalend voor hoe we de publieke ruimte de komende decennia inrichten. Bepalend voor wat we beleidsmatig wel en niet gaan doen om het voor álle weggebruikers vanzelfsprekender te maken dat zij rechten kunnen doen gelden op het gebruik van weg en straat. En dus over hoe we ons tot elkaar verhouden in ons aller openbare ruimte.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.