Opinie

Al die nieuwe Halbes

Tommy Wieringa

Pas deze week zag ik de videoboodschap waarin Angela Merkel zich tot de kunstenaars van haar land richt. Geserreerd en inhoudelijk praat ze over het belang van cultuur voor Duitsland, met zijn rijke aanbod van musea, theaters, operahuizen en literatuurclubs. Ze wil er alles aan doen om dit aanbod te behouden tot er betere tijden aanbreken. Cultuur acht ze van wezenlijk belang in een mensenleven: „We worden met nieuwe emoties geconfronteerd, ondergaan zelf nieuwe emoties en gedachten, en zijn bereid interessante strijd en discussies aan te gaan. We begrijpen het verleden beter en kunnen met een nieuwe blik naar de toekomst kijken”. Ze eindigt met niet minder dan een liefdesbetuiging: „Liebe Künstlerinnen und Künstler, ik weet dat het een zeer, zeer zware tijd voor u is. Ik weet wat we allemaal missen en hoezeer we erop wachten eindelijk weer live van uw culturele aanbod te kunnen genieten. Tot dan proberen we u zo goed mogelijk te ondersteunen met ons hulpprogramma, maar ook door te zeggen hoe belangrijk u voor ons bent”.

Trots op de nationale cultuur zonder in ordinair nationalisme te vervallen: Merkel kan dat. Als politicus spreken over kunst zonder in elke tweede zin naar het rendement te vragen: een verademing. De kunst in het hart van de maatschappij te situeren in plaats van haar naar de marge te verbannen: welke Europese leider doet haar dat na?

De kunstenaar wordt in Nederland beschouwd als sjieke bedelaar of handige profiteur

In Nederland engageert de minister-president zich liever met de Toppers dan met het theater. Dat is zijn goed recht, als hij de hoge cultuur intussen in haar waarde zou laten. Maar bij herhaling diskwalificeren hij en zijn partijgenoten haar als elitair en links hobbyisme, met het Concertgebouw als pars pro toto.

Waar Duitsland voorziet in subsidiëring voor de lange termijn, moeten in Nederland orkesten, musea, gezelschappen, festivals en individuele makers elke vier jaar weer met de bedelnap langs commissies die hun inspanningen beoordelen. Hun horizon reikt niet verder dan die van politici. In beoordelingsrapporten wordt de makers op neerbuigende toon hun plaats gewezen. Het Fonds Podiumkunsten speelde onlangs schooltje door bijvoorbeeld Wende Snijders met een ruim voldoende te waarderen. Goed gedaan meid, maar voor gymnasiumadvies nog wat beter je best doen.

Het schrieperige mecenaat van onze overheden ademt diepe weerzin jegens de culturele sector. In Nederland beweegt de kunstenaar zich in een onverschillige, mogelijk vijandige omgeving. Gemiddeld genomen wordt hij beschouwd als een sjieke bedelaar dan wel een handige profiteur. De woorden nut en noodzaak achtervolgen hem als een kwaaie stank. Pas wanneer hij internationaal aanzien heeft, wordt hij in eigen land serieus genomen. De lof van een politicus ontvangt hij eerst dan wanneer hij zijn kunst zonder subsidie heeft gemaakt. Blokfluitist Erik Bosgraaf (inmiddels uitgeweken naar Duitsland) kreeg in 2010 de Nederlandse Muziekprijs en vertelt in de Volkskrant over de prijsuitreiking: „Halbe Zijlstra, toen net staatssecretaris, zette mij in zijn toespraak neer als voorbeeld van een artiest die zonder subsidie projecten ontwikkelde. Dat mijn cd’s goedkoop bij de Kruidvat lagen en goed verkochten, bewees dat overheidssteun helemaal niet nodig was”. Die mentaliteit wordt door telkens weer nieuwe Zijlstra’s in leven gehouden.

De obsessie met de penning heeft zich breed genesteld. Deze week voerde ik een kort telefoongesprek met een journalist van Trouw over de International Booker Prize-nominatie van Marieke Lucas Rijneveld. „Is Rijneveld financieel nu meteen binnen?”, wilde hij weten. Enter de autoverkoper.

In zijn autobiografie De wereld van gisteren schrijft Stefan Zweig over het Wenen dat hij zich herinnert, dat van voor de wereldoorlogen, waar zeldzame artistieke hoogten werden bereikt. Er bestond „door eeuwenlange oefening een kennerschap dat zijn weerga niet kent, en ten slotte dankzij dat kennerschap een buitengewoon hoog niveau op alle terreinen van de cultuur. De kunstenaar voelt zich altijd daar het best op zijn plaats en tegelijk het meest gestimuleerd waar hij gewaardeerd of zelfs overgewaardeerd wordt. De kunst bereikt altijd daar haar grootste hoogten waar zij een grote rol speelt in het leven van een heel volk.” (Vertaling Willem van Toorn.)

In Wenen waren er een nationaalsocialistische omwenteling en een wereldoorlog voor nodig om haar cultuur eerst provinciaals te maken en vervolgens te vernietigen. Ons huidige dedain voor kunst en cultuur zal een duurzamer soort verwoesting blijken.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.