Recensie

Recensie

Waarom huilen we eigenlijk?

Het boek der tranen Waarom huilen we eigenlijk? En waar komen tranen vandaan? In Het boek der tranen gaat dichter Heather Christle (1980) op een zoektocht. (●●●●)

Op zoek naar de essentie van het bestaan begon de Nederlandse kunstenaar Bas Jan Ader in 1975 aan zijn driedelige kunstperfomance In Search of the Miraculous. Hij dwaalde ’s nachts, met een fakkel in de hand, door de straten van LA, op zoek naar iets of iemand. Vervolgens vertrok hij op solo-zeiltocht over de Atlantische Oceaan. Het slotstuk zou bestaan uit een expositie van foto’s van een nachtwandeling door Amsterdam. Maar Ader kwam nooit meer terug van zee. Zijn drieluik zal voor altijd ‘een mogelijkheid, een concept, onuitgevoerd’ blijven, schrijft dichter Heather Christle (1980) in Het boek der tranen.

Net als Ader is zij in Het boek der tranen op zoek naar de essentie van iets, wat ze uiteindelijk, beseft ze, niet zal vinden. En ook niet hoeft te vinden. Ze zoekt naar het wezen van tranen, maar het is de zoektocht die centraal staat.

Aan de hand van wetenschap, geschiedenis, poëzie en literatuur verkent ze het waarom en de betekenis van tranen. Zo lezen we over olifantentranen, mannentranen, speelgoedpoppentranen, het verschil tussen emotionele en basale tranen en allerlei andere soorten. De rode draad wordt gevormd door haar eigen ervaringen met verdriet.

Schieten op de professor

In een associatieve en soms bijna manische waterval aan fragmenten doet ze van deze zoektocht verslag. Het boek der tranen is, net als het werk van Ader, te omschrijven als ‘een mogelijkheid’ en een concept, in plaats van een duidend verhaal. Dit is niet altijd even comfortabel: als lezer krijg je zoveel informatie en gedachtenspinsels over je heen, dat het soms moeilijk is alles te plaatsen. Maar hier krijg je wel prachtige metaforen en talige vondsten voor terug. Bovendien doet Christle dit met een reden. Ze wil geen wetenschapper zijn die ‘andere mensen vertelt hoe hun lichaam in elkaar steekt’, maar de tranen voor zichzelf laten spreken. Treffend hiervoor is Christles behandeling van de mythe van zogenoemde ‘tranenvangers’; Victorianen zouden hun tranen opvangen in flessen. Net als zij wil Christle tranen verzamelen, bewaren en koesteren. ‘Ik wil dat het lezen over deze tranen, het aaneenrijgen ervan, niet zozeer een verhaal maar een verband schept. Deze traan en deze traan en deze.’

Een ander interessant thema dat komt bovendrijven is de rol van ‘vrouwentranen’ in de samenleving. Opnieuw kiest Christle een sprekende metafoor. Toen een mannelijke professor de Nederlandse designstudente Yi-Fei Chen voor de zoveelste keer aan het huilen had gemaakt, ontwierp ze een pistool waarmee ze tranen kon opvangen, bevriezen en afvuren. Tijdens haar diploma-uitreiking zette Chen het pistool op het hoofd van de professor.

Witte of zwarte tranen, mannen- of vrouwentranen, dieren- of mensentranen, echte of onoprechte tranen; Christle laat geen traan ongemoeid. Met haar talige kunstwerk schept ze een verband tussen iedereen die ooit wel eens heeft gehuild, in welke omstandigheid of hoedanigheid dan ook. Op de vraag waarom we huilen bestaat geen eenduidig antwoord.

‘Toen ik huilde’, schreef Ader, ‘was dat vanwege groot verdriet’.