‘Ik zie niks, maar ik weet alles nog’

schrijft over haar ouders. Afl. 7: hij huilde al ver voordat het orgel Adeste fideles had ingezet
Oud leven

We liepen tegen een muur van stank aan toen we vader op de ochtend van Eerste Kerstdag ophaalden in zijn kamer. Zijn beddengoed, de vloer, de badkamer, overal bruine vegen. Hij mompelde iets over een verstopte afvoer en dat hij een klacht zou indienen bij de leiding van het hotel. Wij deden alsof we niets zagen. Schitterend weer, blauwe hemel, stralende zon. We liepen door de Rue de l’Université en over de Pont Royal naar de Église Saint-Eustache. We gingen rechts vooraan zitten, net als de vorige keer. Hij huilde al ver voordat het orgel Adeste fideles had ingezet.

„Toch gek, vader”, zei mijn zusje Rinskje na afloop bij restaurant Au Père Tranquille. „Ik herinner me eigenlijk niet dat moeder ooit meeging naar de kerk, ook niet in Parijs. Als we hier waren gingen wij altijd samen.”

„Dat was dan erg gezellig, vind je niet?” zei vader. „We gingen ook zwemmen, in een zwembad daar bij de Boulevard eh…”

„Montparnasse.”

„Montparnasse, ja. In de zomer ging ik met je naar die grote vijver in de Jardin du Luxembourg en dan keken we naar de kinderen die hun scheepjes lieten varen.” Hij sopte een stukje stokbrood in zijn uiensoep. „Je mocht ook een keer op een ezeltje rijden, weet je nog? Dat vond je hartstikke leuk.”

„Maar dat moeder nooit meeging”, zei Rinskje, „wat vond u daarvan?”

„Soms wel, hoor. Soms ging ze wel mee.” Hij stak het stuk brood in zijn mond en kauwde langdurig. De soep droop langs zijn kin. „Nog even over die jas die ik voor oma had gekocht”, zei hij tegen mijn nichtje Santje. „Toen ik op de hbs zat heb ik eens een hele zomervakantie bij Berghaus in de fabriek gewerkt. Berghaus was een confectiebedrijf, weet je wat dat is?”

Santje schudde nee naar ons en zei ja tegen hem.

„Mooi zo”, zei hij. „Bij Berghaus werden dames- en kindermantels gemaakt en aan het eind van de zomer mocht ik iets uitzoeken omdat ik zo mijn best had gedaan. Toen heb ik een jas voor oma gekozen. Een prachtige jas, in de winkel kostte die wel honderd gulden. Ik verdiende twaalf gulden in de week, kun je nagaan. Mensenlief, wat was ze blij met die jas. En we waren nog niet eens verloofd.”

’s Middags renden we achter hem aan over het wandelpad langs de oever van de Seine, van de Pont Neuf tot aan de Eiffeltoren. Vader vond het afwisselend magnifiek en grandioos. „Ik zie niks”, riep hij terwijl hij de scootmobiel in de hazenstand zette. „Maar ik weet alles nog.”