Opinie

Hybride onderwijs mag niet het nieuwe normaal worden

Onderwijs

Commentaar

‘Wij gaan weer naar school!’ Wat de afgelopen jaren een waarschuwing was voor automobilisten, is dit jaar vooral een uitroep van vreugde: we mogen weer! Deze weken keren de meeste scholieren terug in het lokaal. Na maanden van thuis- en zelfonderwijs is dat voor leerlingen, ouders én docenten een welkom moment.

Helemaal zorgeloos zijn de komende maanden niet, zeker niet in het voortgezet onderwijs. In de vakantie laaide het virus weer op, met name onder jongeren. En daarmee neemt de discussie toe: wat is de rol van kinderen bij de verspreiding van Covid-19, kan het virus nu wel of niet door ventilatie worden verspreid? Eenduidige antwoorden zijn er (nog) niet.

Lees ook: School moet streng zijn en snel testen

Verwarring over overheidsregels is er ook: waarom mogen er meer leerlingen in één lokaal zitten dan er gasten van twaalf jaar en ouder op een verjaardagsfeestje mogen komen? Of: waarom pleit een OMT-lid ervoor dat jongeren toch verplicht afstand moeten houden, terwijl het officiële standpunt van die adviesraad is dat dat niet nodig is voor kinderen onder de achttien?

Scholen worden ondertussen zelf geacht om de gebouwen coronaproof te maken. Sommigen verplichten mondkapjes in de gang, anderen passen de lesuren aan zodat niet alle leerlingen tegelijk in de gang staan, of brengen spatschermen aan.

Het ministerie adviseert onderwijl de ventilatie te controleren. Maar tegelijkertijd schrijft minister Arie Slob (Onderwijs, CU) dat „ventilatiesystemen geen rol lijken te hebben gespeeld in de epidemie”. Hij lanceerde „een ambitieplan” met „een coördinatieteam” en „een informatieloket”. Acties waarmee hij „beoogt” dat iedereen het nieuwe schooljaar ingaat „met vertrouwen in de kwaliteit van de ventilatie”.

Het schept begrijpelijkerwijs onrust onder leraren, die zich afvragen: ‘Doen wij het wel goed?’ Het is wachten op de eerstvolgende besmetting en het schoolbestuur dat dan onder vuur komt te liggen wegens het nemen van onvoldoende maatregelen.

Daarom valt het te prijzen dat leraren er tóch voor willen zorgen dat kinderen weer naar school gaan. Ondanks alle goede digitale initiatieven en alle creativiteit van leraren verschraalde het onderwijs de afgelopen maanden. De motivatie van leerlingen sijpelde weg, ze liepen achterstanden op. Een bestuurder van drie grote vrijescholen omschreef het virtuele onderwijs in NRC als „een cursus in plaats van het brede pakket van persoonsvorming” dat een school is.

Ook studenten, de andere groep die volgende week weer aan het onderwijs begint, moeten kans op fysiek onderwijs krijgen – hoe ingewikkeld ook in coronatijd. Omdat zij zich moeten houden aan de anderhalve meter, kan slechts een deel van hen tegelijk op school, hogeschool of universiteit aanwezig zijn. De rest van de tijd blijft het onderwijs digitaal.

De Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs waarschuwde deze week dat mbo’ers slechts één of twee dagen per week naar school zullen gaan en dat er te weinig coronaproofstageplekken zijn. Zo ontstaat een generatie verpleegsters en monteurs die onvoldoende in de praktijk wordt geschoold. En een generatie jonge academici die beperkt lab- of archiefonderzoek doet of – in het geval van alfa’s – voornamelijk digitaal college krijgt en interactie met medestudenten en docenten mist.

Ook voor hen geldt dat échte lessen met échte leraren in échte lokalen noodzakelijk zijn. Hybride onderwijs, een mix van online en fysiek les, mag niet het nieuwe normaal worden.