‘Het laat me niet los, er liggen te veel herinneringen’

Over Indië De laatste Nederlandse ooggetuigen vertellen over het leven in de kolonie. Deze week: Bertie Best-Berg (Papoh, 1921).

Bertie Best-Berg: ‘Zelfs als je moeder een Javaanse was, werd daar nooit over gesproken. Ze waren er verlegen mee.’
Bertie Best-Berg: ‘Zelfs als je moeder een Javaanse was, werd daar nooit over gesproken. Ze waren er verlegen mee.’ Foto Frank Ruiter

‘Mijn vader was eerste geëmployeerde bij een suikeronderneming van de Handelsvereeniging Amsterdam (HVA) in Blitar, Oost-Java. Mijn moeder was een Javaanse. Zij heette Bingah en kwam uit Sidoardjo, bij Soerabaja. Vroeger was het in Indië gebruikelijk dat Hollandse mannen met inlandse vrouwen samenwoonden. Maar mijn ouders waren getrouwd. En omdat mijn moeder een Javaanse was, kon mijn vader nooit administrateur worden. Zeg maar, de leidinggevende over een onderneming. Promotie kon gewoonweg niet als iemand met een inlandse getrouwd was en dat was overal zo. Ook was de grootmoeder van mijn vader een prinses uit Solo. Ik weet niet hoe zij heette. Vroeger werd daar nooit over gesproken. Zelfs wanneer je moeder een Javaanse vrouw is, zoals mijn moeder, deed men dat niet. Ze waren er verlegen mee.

Het was blank- en bruinpolitiek, die je later in Zuid-Afrika zag: apartheid, ja. Dat hadden we in Indië ook. Als klein kind merkte ik daar niet zo veel van. Ik woonde op de onderneming. Er waren een sociëteit en een tennisbaan. Je had wel volbloed Hollanders, totokkers, en daar speelde je gewoon mee als kind.

Toen ik ouder werd, kreeg ik wel door dat er onderscheid gemaakt werd tussen Hollandse en Indische leerlingen. Maar ik besteedde er niet veel aandacht aan. Het was gewoon zo.

Tot de zevende klas van de lagere school zat ik met een ouder zusje op de kostschool van de zusters Ursulinen. De zusters waren streng. Onze onderbroeken waren langer dan onze rokken. En dan hoge veterlaarzen. Afschuwelijk gewoon! Het kostte veel geld, zo’n kostschool. Maar mijn vader heeft dat toch betaald want onze moeder was natuurlijk een Javaanse en hij wilde ons een Nederlands opleiding geven. Zo ging dat.

Toen de oorlog met Japan uitbrak in 1942 zat ik op school in Batavia. In januari kreeg mijn vader een brief dat alle Hollanders zich moesten melden, dus mijn school werd gesloten. Ik was thuis in Lawang. Dat was een koel bergdorp voor gefortuneerde gepensioneerden. Mijn vader was ook al met pensioen.

Later gingen mijn vader en moeder zich per dokar (rijtuigje, red.) bij de Japanner melden, maar ze werden naar huis gestuurd. Mijn vader was al te oud en ziek. Hij is in 1944 overleden.

We konden gewoon in ons huis blijven wonen. We bleven wel binnen omdat we bang waren te worden opgepakt. Maar onze bedienden gingen gewoon naar de markt.

We werden pas opgesloten toen de Indonesiër opstond in 1945. We zaten met zijn vijven twee jaar in een voorkamertje. We hadden geluk dat de mensen in de kampong ons gunstig gezind waren. Ons huis werd niet gerampokt (geplunderd, red.). Achteraf bleken al onze spullen verdwenen. Dat wel.

In 1957 zijn mijn man, met wie ik in 1951 was getrouwd, en ik Indië uitgezet, net als alle Hollanders. In Nederland was het moeilijk om aan werk te komen. De Hollander kende ons niet. Ze kwalificeerden ons als tweederangs burgers. Eerlijk waar. Hoe ik dat weet? Dat zeiden ze gewoon.

Mijn broer en zusje hebben in 1997 het graf van mijn vader bezocht. Ik niet. Er liggen te veel herinneringen. Aan mijn verloofde, een schoolvriend, die sneuvelde bij de slag om de Tjiaterpas tegen de Japanners. Zijn graf in Bandoeng kon ik nooit bezoeken omdat ik met die ander was getrouwd. Ik heb er nog steeds moeite mee. Het laat mij niet los.’