Reportage

Groningse ruimte trekt aan en schrikt af

Culturele vrijplaatsen Twee culturele iconen aan de rand van Nederland dreigen te verdwijnen. Of keert het tij toch? „Mensen zien pas wat ze hebben als ze het kwijtraken.”

Christiaan Klasema bewoont het landhuis en rijksmonument Oosterhouw. Hij stopt dit jaar met zijn kleine enclave.
Christiaan Klasema bewoont het landhuis en rijksmonument Oosterhouw. Hij stopt dit jaar met zijn kleine enclave. Siese Veenstra

Aan het einde van Nederland, tussen de Groningse aardappelvelden en de Waddenzee, liggen twee kleine enclaves waar kunst en cultuur volop gedijen. Bij herberg Wongema in Hornhuizen krijgen creatievelingen uit heel Nederland onderdak, terwijl landhuis Oosterhouw in Leens, nog geen vijf kilometer daarvandaan, bekendstaat om zijn salonavonden en vorstelijke parktuin. De twee panden zijn alom bekend en geliefd in Groningen, maar de eigenaren stoppen er dit jaar allebei mee.

In de afgelopen jaren zijn Oosterhouw en Wongema een belangrijke functie gaan spelen in het culturele leven van het Groningse platteland. De literatuuravonden en tuin van Oosterhouw en de muziekoptredens en aardappeloogstfeesten bij Wongema brachten dorpsbewoners en Randstedelingen bij elkaar. Maar Wongema zoekt na tien jaar een nieuwe herbergier en Oosterhouw is verkocht aan particulieren. En dat is niet tot ieders blijdschap – want blijven de panden onder nieuwe eigenaren wel behouden als culturele vrijplaatsen? En moet de publieke functie van het cultureel erfgoed in het uitgestrekte Groningen niet worden beschermd om de reuring in de dorpen te houden?

Wachten met koffie en gebak

Naast het op zee gewonnen kleiland van Groningen ligt het dorpje Hornhuizen, waar 120 mensen wonen. Midden in het dorp, tegenover de kerk met de gele toren, staat herberg Wongema. Op een hete doordeweekse zomerdag staren drommen toeristen door de ramen, enkelen kloppen aan voor een kopje koffie. Maar Wongema is dicht, vanwege corona. En eigenlijk is Wongema altijd dicht voor koffiepubliek, al weten maar weinigen dat. „Het is een werkpension voor denkers, makers en praters”, zegt herbergier Erik Wong (55), die Wongema begon – een Groningse verbastering van zijn eigen achternaam.

Lees ook het eerste deel van deze serie: In de Achterhoek klinken eindelijk de persoonlijke verhalen

Tien jaar geleden zou het voormalige dorpscafé worden gesloopt. Nadat de kerk al jaren was gestopt met haar diensten, dreigde ook de laatste ontmoetingsplek in het dorp te verdwijnen. Een tijdlang zat er een pizzeria in het oude café, daarna een steakrestaurant. In de caféschuur werden weleens technofeesten gegeven. En er was zelfs sprake van een seksclub in Hornhuizen. De paaldanspaal en wc’s met zwarte tegels waren al geplaatst. Maar niks bleek rendabel in het toeristarme en relatief lege Noord-Groningen. „De sloopkogel was al besteld”, zegt Wong.

Toen viel Wongs oog op het gebouw. „In de weekenden verbleef ik al een tijdje in Hornhuizen”, zegt Wong, die doordeweeks als grafisch ontwerper woonde en werkte in Amsterdam. „En ik zag veel mogelijkheden in het gebouw.” In Hornhuizen raakte hij gegrepen door de wisseling van de seizoenen op de akkers. En als je er verblijft, moet je ook iets bijdragen aan het dorp, vond hij. „Ik wilde geen weekendbewoner worden die alleen profiteert van de lusten van het dorp.” En dus stak Wong een stokje voor de sloop van het voormalige dorpscafé.

Van de eigenaar mocht hij een tijdje proefdraaien. Die ging ervan uit dat het gebouw alsnog gesloopt zou worden. Maar met hulp van Stichting DBF, die leegstaand vastgoed opkoopt, opknapt en in gebruik neemt om het platteland leefbaar te houden, kon hij het pand overnemen.

Het werd een succes. Wongema organiseerde muziekoptredens, barbecues en radio-uitzendingen met dorpsbewoners en werd regionaal bekend met het aardappeloogstfeest. Doordeweeks sliepen er kunstenaars, schrijvers en muzikanten en hielden creatievelingen uit het hele land er vergaderingen. Wongema werd een ontmoetingsplek voor lokale bewoners en de kunst- en cultuursector uit de Randstad. „Ik wilde bubbels doorprikken”, zegt Wong. „Vooral wij hoogopgeleiden denken dat we een multicultureel leven hebben in de Randstad, maar onze sociale biotoop is heel monotoon: iedereen kijkt op dezelfde manier naar het leven.”

Voor dagjesmensen bleef het na een korte proefperiode dicht. „Ik zat dan de hele dag te wachten met koffie en gebak en kon nergens heen”, zegt Wong, die erkent absoluut geen horecaman te zijn. „Ik werd daar heel zenuwachtig van.” Maar hij voelde zich ook schuldig als Wongema niet open was. Daarop besloot hij eens per week een eetavond te organiseren. „Dan zaten de dorpsbewoners de hele avond stilzwijgend tegenover elkaar.” En voor de koffie kwamen de dorpelingen sowieso niet. „Ze vinden het heerlijk dat Wongema open is, maar ze zitten zelf thuis aan de filterkoffie.” Nee, het idee van een bruisend café aan de rand van het land blijkt in werkelijkheid niet meer dan een idee, weet Wong inmiddels.

Lees ook: zó anders is het niet in een dorp

Vochtig hout en oude boeken

Daar herkent Christiaan Klasema (62) zich in. De bewoner van het rijksmonument Oosterhouw in Leens ontving af en toe fietstoeristen, maar dat bleek niet rendabel. „Nooit weg kunnen, de hele dag wachten”, omschrijft Klasema het open zijn voor publiek. Het is een probleem in de hele regio. „Want uit de zee komen geen mensen”, citeert hij zijn in 2017 overleden echtgenoot en voormalig bewoner Klaas Noordhuis. Midden in het land zou Oosterhouw wel een toeristische trekpleister zijn, denkt Klasema. Simpelweg omdat daar meer mensen komen.

Ook de dorpsbewoners komen er niet vaak. „Oosterhouw is altijd een plek voor cultuur, literatuur en tuinarchitectuur geweest”, zegt Klasema over de vele literaire salons, leesclubavonden met diners en tentoonstellingen met bezoekers uit binnen- en buitenland. „De stap naar het dorp is niet zo makkelijk gezet. De gemiddelde dorpsbewoner komt geen gedichten voordragen.”

Oosterhouw ligt net buiten het dorp, achter hoge heggen. Elke stap in het landhuis uit 1868 is een stap terug in de tijd. De krakende vloeren liggen naast wandschilderingen uit het begin van de twintigste eeuw. De geur van vochtig hout en oude boeken sijpelt door de gangen naar de bibliotheek – waar in de boekenkast een geheime deur is naar het zijgedeelte. En op de plek waar ooit een schaapsweide was, ligt nu een parktuin met weelderige bomen, vijvers en een theekoepel.

In het dorp noemen bewoners Oosterhouw ‘het huis van dokter Bruins’. Literatuurliefhebbers kennen het van dichter C.O. Jellema, die er met tuinarchitect Klaas Noordhuis in 1989 ging wonen. Na het overlijden van Jellema in 2003 kwam Klasema, die daarvoor tien jaar door het leven ging als monnik.

Maar Klasema is ziek. En trekt zich terug, naar Amsterdam. Het huis heeft hij inmiddels verkocht aan een jong koppel uit de regio.

Klasema wilde bij voorkeur dat het huis in particuliere handen bleef. „Klaas zei altijd dat particuliere handen de beste handen zijn. Een stichting leidt tot talloze meningen van betrokkenen die allemaal wat anders willen met het huis en als de overheid het overneemt dan wordt het van bovenaf gedicteerd met regels. Een huis is als een moeder waar je voor moet zorgen, voor een particulier is elke kras op het huis een kras op zijn eigen ziel.”

Zwarte Zielenfestival

Tot grote spijt van Wilbert van de Kamp (31) is het pand aan particulieren verkocht. Anderhalf jaar lang was hij de huisbewaarder van Oosterhouw. Hij bereidde er etentjes voor met agrarische producten uit de buurt, ging met buurtbewoners op de koffie en organiseerde het Zwarte Zielenfestival: een festival voor mensen die zich niet altijd even vrolijk voelen. Van de Kamp: „Honderden mensen kwamen hier, die hier anders nooit waren geweest.” Tot vreugde van Klasema, die zag dat Van de Kamp Oosterhouw verjongde.

Van de Kamp wilde Oosterhouw graag overnemen. „Cultureel erfgoed in onze provincie moet openblijven en bezield worden door en voor Groningers”, zegt Van de Kamp. „Plekken zoals Oosterhouw vertellen de verhalen over waar wij allemaal vandaan komen, dat moeten plekken blijven waar alle generaties en lagen van de bevolking elkaar ontmoeten.”

Erik Wong is de herbergier van Wongema. Foto Siese Veenstra

Naar eigen zeggen had hij genoeg investeerders om aan de vraagprijs van zes ton te voldoen. Maar Klasema koos voor anderen: „Ik ben niet voor het hoogste bod gegaan, maar voor een stel dat goed zal zorgen voor het huis en de tuin – en het misschien op den duur openstelt voor publiek.”

Van de Kamp vindt het „doodzonde” dat Oosterhouw aan particulieren is verkocht. Maar hij noemt het ook het begin van een nieuwe beweging. „Het cliché blijkt echt waar: mensen zien pas wat ze hebben als ze het kwijtraken”, zegt Van de Kamp. Om ervoor te zorgen dat meer cultureel erfgoed in de provincie opengaat voor publiek, heeft hij de krachten gebundeld met Peter Michiel Schaap van het Groningse architectuurplatform GRAS. Samen werken ze aan een fonds, dat de interesse heeft gewekt van bestuurders en investeerders. „Op een paar strategische plekken in Groningen willen we nog onbeschermd cultureel erfgoed opkopen”, zegt Van de Kamp. „Het erfgoed blijft open voor publiek en we geven jonge beheerders een kans het te ontwikkelen.” Dat moet leiden tot meer toerisme in Groningen, een sterkere dorpseconomie en door ontmoetingen tot meer begrip tussen stad en platteland. En misschien wel het belangrijkste: „We geven de dorpen een injectie van mensen die ze nu missen: twintigers tot veertigers met culturele ervaring.”

Lees ook: deze stadsmensen verhuisden naar het platteland. Hoe gaat het tien jaar later me ze?

De droom

Die leeftijdsgroep klopte vaak aan bij Erik Wong om Wongema over te nemen. „Die dromen van zo’n pand op het platteland en dan is Wongema de materialisering van hun droom”, zegt Wong. Maar na kort nadenken houdt iedereen liever de droom in stand. „Het idee van een bruisend café dat als kloppend hart dient van het dorp is een stadse manier van denken”, zegt Wong. „In de praktijk is het leven hier heel particulier, zijn de mensen op privacy gesteld. Het is vaak stil, het leven is trager. Er is behoefte aan een ontmoetingsplaats, maar niet dagelijks.”

Toch, zegt Wong, is een plek als Wongema belangrijk voor het platteland. „Anders verkilt het, sterft het uit en trekt iedereen zich terug.” Wong en Klasema, die vaak gezamenlijk evenementen organiseerden in Oosterhouw en Wongema, merken dat deze uithoek van Groningen een aantrekkingskracht heeft op creatievelingen uit het hele land. „Hier, in de rust en ruimte en tussen de natuur kan iedereen zijn eigen wereld creëren”, zegt Wong. En de import maakt de streek levendig, ziet Klasema.

De toekomst van Oosterhouw ligt in de handen van de nieuwe eigenaren, maar voor Wongema is het vooruitzicht nog ongewis. De tijd begint te dringen, weet Wong, want als hij voor het einde van het jaar geen nieuwe herbergier vindt dan wordt het pand verkocht en verdwijnt de tekst ‘Wongema’ boven de ingang van het gebouw.

Verschillende kandidaten met verregaande interesse haakten af. Daarom gaat Wong met Van de Kamp in gesprek, misschien dat zijn fonds redding kan brengen. Of klopt er toch nog een nieuwe herbergier aan in Hornhuizen, daar waar Wong verliefd werd op de aardappelvelden en de Waddenzee? Wong: „Ik ga, maar Wongema moet blijven.”