Opinie

Bijstellen

Ellen Deckwitz

Vorige week begon mijn jongste neef (12) aan de middelbare school, maar inmiddels zijn er vanwege beholpen gebouwventilatie en snotterende docenten alweer zoveel lessen uitgevallen dat hij nog steeds het gevoel heeft dat het zomervakantie is, en stiekem vind ik dat niet zo erg. Aangezien hij topkok wil worden, besteedt hij alle vrije uren aan zijn nieuwste obsessie: het zelf vervaardigen van veganistische droge worst (!). Ik ben zijn testpanel, en inmiddels een paar pond rijker.

„Deze wordt met venkel”, zei hij gistermiddag terwijl hij de keukenmachine vulde. „En een snufje porcini.”

„Jij bent niet erg rouwig om al die lesuitval hé”, zei ik.

„Toch wel. Ik zag er zo naar uit om eindelijk op de middelbare school te zitten. In series en films lijkt het zo’n groot avontuur.”

„In werkelijkheid valt dat wel mee hoor”, zei ik.

„Nou ja, dat weet ik dus niet”, zei hij en zette de machine aan.

Daar had hij een punt. Niet alleen bracht hij zijn laatste jaar op de basisschool vanwege de lockdown al thuis door, maar ook werd de introductieweek op zijn nieuwe school erg ingeperkt. En nu zit hij dus weer thuis. Sinds maart moest iedereen natuurlijk zijn verwachtingen bijstellen, maar mijn neefje en zijn leeftijdsgenoten lopen wel erg veel mis. Al die overgangsrituelen, van de eindmusical tot het brugklaskamp, het afscheid van een oude omgeving en de introductie tot een nieuwe, werden zo afgeslankt dat ze amper indruk achterlieten. Alles wat hij zich voorstelde bij twaalf jaar oud zijn, pakt heel anders uit. En het kan allemaal nooit meer worden ingehaald.

Los daarvan is het dan nog maar de vraag of de wereld waarin hij opgroeide, de wereld waarop hij zich voorbereidde, straks nog zal bestaan. Dat is het natuurlijk altijd, maar nu lijkt het steeds aannemelijker dat hij zich op een toekomst heeft ingesteld die misschien niet zal aanbreken. Met, als je de onheilsprofeten mag geloven, een knoepert van een recessie, herbesmettingen, geopolitieke onrust om de vaccins, een leven dat veel langer om afstand houden zal draaien dan menselijk haalbaar is.

„Vind je het niet jammer dat alles zo veranderd is”, zeg ik. „Het is toch een andere wereld dan die waar je je misschien op verheugde.”

„Nou ja”, zei hij, „dingen kunnen toch altijd een keer niet doorgaan. Je weet toch nooit zeker waar je naar uit moet kijken. Misschien ga ik door die epidemie uiteindelijk wel een veel leuker leven tegemoet.”

„Dat is wel erg optimistisch”, zei ik.

Hij gaf me dezelfde, wat medelijdende blik als wanneer hij me ziet dansen.

„Ik noem het avontuurlijk”, grijnsde hij, en zette me de volgende gang voor.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.