Ambtenaren: ‘Nederland moet meer invloed uitoefenen op Europees defensiebeleid’

Defensie In Europa komt de discussie over een gezamenlijk veiligheidsbeleid steeds meer op gang. Nederland neemt daarin te weinig positie in, zeggen onderzoekers binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Een Amerikaanse Chinook-helikopter in de haven van Rotterdam. Omdat de rol van de VS als beschermende bondgenoot wegvalt, moet Nederland volgens ambtenaren van Buitenlandse Zaken meer invloed op het Europese defensiebeleid uitoefenen.
Een Amerikaanse Chinook-helikopter in de haven van Rotterdam. Omdat de rol van de VS als beschermende bondgenoot wegvalt, moet Nederland volgens ambtenaren van Buitenlandse Zaken meer invloed op het Europese defensiebeleid uitoefenen. Foto Koen van Weel/ANP

Nederland kan en moet meer invloed uitoefenen op het Europese defensiebeleid. De discussie hierover in Nederland wordt nauwelijks gevoerd en gaat nog te veel uit van een Amerikaanse rol, terwijl de VS onder president Trump geen vanzelfsprekende beschermheer van Europa meer zijn. Dit stelt de IOB, de interne evaluatiedienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken, in twee rapporten die deze donderdag zijn verschenen.

Lees ook: een Europees initiatief is nog geen Europees leger

Volgens de onderzoekers van de IOB, voluit de directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie, geeft het eigen ministerie te weinig prioriteit aan de Europese defensiesamenwerking, terwijl landen als Frankrijk er intussen hun stempel op drukken. Nederland benadrukt in het Europese diplomatieke verkeer nu vooral wat het níét wil – geen Europees leger, geen overlap tussen taken van de EU en de NAVO op het gebied van defensie – in plaats van duidelijk te maken hoe een Europees veiligheidsbeleid er volgens Nederland juist wél zou moeten uitzien. „Hierdoor wordt Nederland op verschillende momenten in een reactieve positie gedrukt”, schrijven de onderzoekers. Nederland laat hier volgens hen zelfs een kans liggen om de eigen invloed te „vergroten”, omdat „de positie van veel andere landen ook niet duidelijk is”.

Daarbij gaat het onder meer over de vraag wat voor militaire missies de EU moet kunnen uitvoeren en hoe zelfstandig de EU daarover moet kunnen beslissen, over de manier waarop de EU en de NAVO zich tot elkaar moeten verhouden en over de komst van een volwaardig Europees militair hoofdkwartier. Dat laatste wil Nederland niet, omdat daarbij het risico bestaat dat het overlapt met de al bestaande NAVO-structuren.

De evaluatieclub deed anderhalf jaar onderzoek naar het gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) van de Europese Unie, bijvoorbeeld rondom dreigingen vanuit Rusland, migratiestromen vanuit noordelijk Afrika en de Brexit. Vooral over de rol van de VS bestaat steeds meer zorg. Het trans-Atlantisch bondgenootschap is de hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid. President Trump zaaide sinds zijn aantreden in 2017 herhaaldelijk twijfel over het nut van het NAVO-bondgenootschap.

Taboe op doordenken

Nederland doet er goed aan zich voor te bereiden op minder Amerikaanse betrokkenheid bij de NAVO, stelt de IOB. Maar: „Er lijkt in Nederland een taboe te rusten op het doordenken van scenario’s waarin de VS de Europese partners niet steunen”, uit „vrees dat dit de VS van de EU zou vervreemden”. Om hierop te kunnen inspelen, als het zover zou komen, is nadenken over alternatieven juist „noodzakelijk”, aldus het rapport.

Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in het debat over de invulling van de Europese ‘bijstandsclausule’. Het principe van collectieve verdediging van de NAVO staat weliswaar niet ter discussie, maar vooral de Fransen denken na over hoe zij daar, los van de NAVO, óók Europees vorm aan kunnen geven. Als Nederland bij het vormgeven van die ideeën een rol wil spelen, moet het die discussie, over ‘een Europa dat beschermt’, niet alleen aan de Fransen overlaten.

‘Ontoereikende bezetting’

Nederland speelt als kleine Europese lidstaat een relatief grote rol in Europese debatten en heeft een betrouwbare reputatie. Toch heeft Nederland „geen sterke traditie op het terrein van strategievorming”, aldus de onderzoekers. Te weinig personeel op het terrein van strategische veiligheidsvraagstukken, vooral bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, maakt zichtbaar dat het geen prioriteit heeft. „Door een ontoereikende bezetting bij het ministerie van Buitenlandse Zaken neemt het ministerie van Defensie een regierol bij het GVDB.”

Lees ook: de NAVO is niet hersendood, maar de discussie blijft

De rapporten van de IOB passen in een trend. Twee jaar geleden zei de toenmalige hoogste Europa-ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken, Thijs van der Plas, in een toespraak: „Langs de zijlijn staan en alleen maar nee zeggen kan niet meer.” Het buitenlandbeleid van minister Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD), gevoed door zijn collegaminister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA), wordt gekenmerkt door dezelfde defensieve houding, vooral in de recente onderhandelingen over het Europese steunplan voor de coronacrisis. Die opstelling werd door een groot deel van de Tweede Kamer ondersteund. In Europa heeft premier Rutte (VVD) inmiddels de bijnaam ‘Mr. No’.

Lees ook: waarom niet Buitenlandse Zaken, maar Financiën de regie voert over het Nederlandse Europabeleid

De rapporten komen kort na een advies dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken in juni aan de regering deed. Ook dat benadrukte de noodzaak van een actievere rol van Nederland in het Europese veiligheidsdebat, omdat Europa kwetsbaar is en beter voor zichzelf moet zorgen. De AIV spoorde Nederland aan om zich wél in te zetten voor een Europees militair hoofdkwartier. En om meer aansluiting te zoeken bij Franse en Duitse defensie-initiatieven, om zich zo sterker te positioneren binnen Europa. Het kabinet heeft nog niet op de adviezen en rapporten gereageerd.