Recensie

Recensie Boeken

Na een ‘onderzoek’ van 25 minuten wordt hij jarenlang opgesloten in een psychiatrische inrichting

Roger Van de Velde In hechtenis portretteerde deze ‘geestesgestoorde’ Belgische schrijver zijn medepatiënten in vaak briljante beelden.

Roger van de Velde in 1970
Roger van de Velde in 1970 Belga

Casimir is een genie. Hij las alle boeken uit de bibliotheek, kent het hele woordenboek uit zijn hoofd en schreef zijn eigen encyclopedie. Wie in zijn omgeving een puzzel aan het maken is en even om een antwoord verlegen zit kan zo een beroep op hem doen. ‘De hoogste top van het Atlasgebergte? De afstand van de aarde naar Venus? De seculaire evolutie van de arctische lupine of de chemische samenstelling van zeewater? Casimir wist het.’

Helaas is Casimir ook een gevaarlijke gek. Als hij hoort over een filosoof die er andere denkbeelden op nahoudt dan hijzelf, pakt hij onmiddellijk zijn pen. ‘Casimir schreef de naam zorgvuldig in een notitieblokje. Hij bevochtigde zijn knevel met de punt van zijn tong en wreef zich vergenoegd in de handen. “Nog één van die bedriegers die ik uit de weg moet ruimen”, zei hij.’ In dat blokje, zo ondervindt de verteller daarna, staan in totaal zo’n ‘twintigtal illustere ter dood veroordeelden’. En als Casimir vrij komt, zo belooft hij, ‘maakt hij ze één voor één van kant’.

Casimir en zijn notitieblokje worden hier beschreven door de ogen van Roger Van de Velde (1925-1970), een Vlaamse journalist en schrijver die in de jaren zestig van de vorige eeuw om meer dan bedenkelijke redenen ‘veroordeeld’ werd tot een langdurig verblijf in een psychiatrische inrichting.

Verslaafd

Als maagpatiënt was hij verslaafd geraakt aan Palfium, een pijnstiller die na verloop van tijd tot verboden middel werd verklaard door de Belgische overheid. De verslaafde Van de Velde probeerde slinks aan het middel te komen, werd gearresteerd en na een psychiatrisch onderzoek van amper 25 minuten, zo schrijft zijn biografe in een nawoord, ‘ernstig geestesgestoord’ verklaard.

Van de laatste acht jaar van zijn leven bracht hij er zes achter de tralies door. Maar ook in hechtenis schreef Van de Velde: de verhalenbundel Galgenaas (1966) bijvoorbeeld en het nu heruitgegeven De knetterende schedels, waarin hij Casimir en al die andere ‘compagnons de misère’, zijn medepatiënten dus, een gezicht geeft. Van de Veldes schrijven was – het lijkt de DDR wel – illegaal; zijn vrouw smokkelde de volgekrabbelde papieren mee de inrichting uit.

De knetterende schedels is indringend en prachtig. Van de Veldes aanpak mag dan iets van een sjabloon hebben (zo goed als elk verhaal is in wezen een portret van een medepatiënt), maar zijn humaniteit, zijn stijl, zijn helderheid van geest (!) en zijn vermogen om ondanks alles niet te kiezen voor het sentiment houden je moeiteloos in de greep. Hij bleef altijd kijken in plaats van piekeren of jammeren; zijn ogen zijn immer uitwaarts gericht. Heel soms kom je wel wat aan de weet over zijn eigen ervaring, maar meestal is het nederigheid troef en zet hij zijn talent in om ons de mensen te tonen door wie hij omringd wordt.

Anti-psychiatrie

De knetterende schedels verscheen in een tijd waarin de zogenaamde anti-psychiatrie in de mode was (denk aan het machtsontledings-oeuvre van Foucault of aan Ken Keseys One Flew Over the Cuckoo’s Nest), maar Roger Van de Velde hobbelde, nota bene als onterecht geketende, niet blindelings mee in die mode: zoals hij ons de twee gezichten en de onberekenbaarheid van Casimir laat zien, zo toont hij dat met elke patiënt.

Het staat vol briljante, een beetje schrijnende beelden, zoals die van de periodieke kettingroker Daniel en zijn parasiterende volgeling. ‘In de vroege namiddaguren maakte Daniel telkens een wandeling tussen de plantsoentjes op de binnenplaats. Hij had een stramme gang omdat hij zijn reumaknieën iets te hoog trok. Zoals hij daar liep met zijn lange sigaret deed hij denken aan een rillerige reiger met een witte spaander drijfhout in zijn bek. Roupcinsky bleef ook dan als een zuigvis aan zijn lijf kleven en pikte, loerend en pruimend, de brandende peukjes als glimwormen tussen de dahlia’s en de kollebloemen op.’ Ook Recht op antwoord, het tevens opgenomen, tamelijk lange pamflet over het Belgische interneringsbeleid heeft zijn waarde. Maar richt u uw aandacht toch vooral op die eerste twintig verhalen.