Een leeg Carré in Amsterdam.

Foto Nathan Reinds

Interview

Voor de cabaretier gaat alles even anders dan gepland

Hoe overleven cabaretiers de coronacrisis en hoe gaan zij om met maar deels gevulde zalen? „Het is ploeteren soms. We spelen op de gekste plekken.”

Vallen de theaters om? Moet ik een andere baan nemen? Wil ik mijn show wel opknippen? Als ik nou niets verdien aan een voorstelling, ga ik dan wel optreden? Moet ik iets over corona zeggen of zijn mensen coronamoe? Gaat het publiek wel lachen nu de zalen zo leeg zijn? Het artiestenvak is altijd onzeker, maar de laatste maanden sloegen veel hoofden van cabaretiers even op tilt. Alles gaat anders dan gepland.

Voor Sanne Wallis de Vries lag bijvoorbeeld op zaterdag 7 maart na de première van haar nieuwe voorstelling Kom het theaterseizoen nog voor haar open. Ze had goede recensies op zak en een lange tour voor zich. Totdat ze vijf dagen later in de auto zat op weg naar een volgende voorstelling, het nieuws hoorde dat de theaters dichtgingen en „een U-turn naar huis maakte”.

Maandenlang speelde ze niet, terwijl de onduidelijkheid over het komende theaterseizoen groeide. De meeste theaters planden hun reguliere programma uit voorzorg pas weer vanaf komend januari in. Maar hoe zouden de maanden september tot en met december eruit gaan zien? Aan het begin van de zomer ontstond bij veel theaters het idee om cabaretiers twee keer op een avond een voorstelling van een uur te laten spelen – waar negentig minuten de norm is. Door de lage bezoekersaantallen vanwege de anderhalvemeterregel kunnen de zalen zo de inkomsten wat opkrikken.

Wallis de Vries: „Goed idee voor die theaters, maar mijn hart brak. Kom is een complete trip, een puzzel, alles past in elkaar.” En dus besloot ze een nieuwe voorstelling te maken, met veel publieksinteractie, comedy en nieuwe muziek. Die is de komende maanden in het theater te zien: Heel. „Ik heb een hengelmicrofoon, die ik na elk gesprek desinfecteer en ga in gesprek met de zaal over: ‘Wat overkomt ons allemaal? Hoe ervaar jij dit?’ Ik noem het een healing, met een knipoog. Want we kunnen nu de wereld opnieuw schetsen. Ik vraag aan mijn publiek: ‘Wat gaat er mis op deze wereld en als jij het voor het zeggen hebt, hoe wil je onze maatschappij dan vormgeven?’” Grappend: „En ik mag niet in discussie van mijn regisseur. Als iemand zegt ‘We moeten beter zorgen voor grote bedrijven’ dan zeg ik dus opgewekt: ‘Heel goed punt Angelique. Goed dat je meedoet’.”

Nachtgym

Martijn Kardol en Rayen Panday knippen hun voorstellingen wel op. Panday: „Maar ik moet ook materiaal aanpassen natuurlijk. We kunnen als cabaretiers niet om het virus heen. Mensen voelen het, zelfs in het theater, daar zit iedereen apart van elkaar. Je kan je materiaal ook niet meer los zien van corona. Ik zou vlak voor de lockdown in première gaan en vertelde toen in mijn voorstelling dat ik ’s nachts naar de gym ga. Maar de nachtgym is niet meer open en er zijn allemaal regels in sportscholen. Het is raar om die verandering niet te noemen.”

Martijn Kardol kwam erachter dat zijn oude materiaal eigenlijk goed bij deze tijd past. „Ik vertel dat ik van nature doe aan social distancing. Er is volgens mij niemand die op zaterdagavond op de bank zit en denkt: ‘Ik verheug me echt op die verjaardag.’ Ik merk dat ik daar nu veel minder over hoef uit te leggen. Dat geldt ook voor de grote thema’s. Ik heb het bijvoorbeeld over klimaatverandering. Vroeger zag je mensen denken: ‘O nee, gaan we het hier over hebben?’ Maar de urgentie is gegroeid. We dachten voor corona dat de wereld altijd zou blijven zoals ze was. Nu voelen we dat dingen kunnen veranderen.”

Er zijn ook cabaretiers die hun voorstellingen uitstellen, zoals Kees van Amstel: „Mijn voorstelling duurde een uur en 45 minuten en gaat over de actualiteit, over het racismeprobleem, maar wel met nuances. Ik vind het belangrijk dat ik die voorstelling in zijn geheel speel.”

Hij verdient dus komende tijd veel minder. „Ik denk dat ik 60 tot 70 procent van mijn jaaropbrengsten kwijt ben.” Van Amstel werkt ook twee dagen als leraar op een mbo. „Mijn collega’s zeiden vaak: ‘Stop daar nou toch eens mee joh. Het remt je af.’ Natuurlijk dacht ik daar wel eens over na, maar ik ben nu wel erg blij met mijn baantje. Collega’s vragen nu ludiek van: „Zeg Kees, het onderwijs hè, hoe lang duurt zo’n cursus?”

Ook de andere cabaretiers worstelen met hun financiën. Panday: „Ik denk dat ik een kwart verdien en drie keer zoveel moet werken. Het is karig, maar ik vind het oké. Ik heb mazzel, want ik heb geen kinderen, dus ik kan dit tot januari uitzitten.”

Kardol: „In het begin van de crisis dacht ik: ‘Als dit zo doorgaat moet ik een ander baantje erbij zoeken.’ Mijn vriendin was net voor de coronacrisis gestopt met haar baan en aan het solliciteren en ik verdiende ook niets meer. Dan maak je je serieus zorgen of je je hypotheek nog kan betalen. Nu kan ik weer spelen, maar ik moet zeggen, het is geen vetpot. Ik heb laatst een rekensom gemaakt: als ik mijn technicus meeneem verdien ik 3 euro, maar daar moeten de reiskosten en de kosten van het eten vanaf. Ik leg er dus op toe. Maar ik voel me verantwoordelijk voor het inkomen van mijn technicus, dus wat doe je dan? We hebben met elkaar gezeten en besloten dat hij meegaat als ik nog mijn oude voorstelling speel. Dat is ook een aantal maal en dan wil ik het hele pakket van techniek en decor aanbieden. Speel ik een alternatieve versie, twee keer een uur op een avond, dan ga ik alleen.”

Nieuwe talenten

Voor nieuwe cabarettalenten lijkt de toekomst nog onzekerder. Maya van As is onderdeel van het duo Vlamousse, dat vorig jaar een impresariaat kreeg en dit jaar in november in première zou gaan. „Het is tweeledig. Hoe de situatie nu is, is voor ons zo erg nog niet. Wij hoeven geen stappen terug te doen. Dertig man publiek is prima, we hebben toch nog geen overvolle zalen gekend, en kunnen ons nu door ontwikkelen. Maar ik durf niet na te denken over de toekomst. Het is hard werken om voet aan de grond te krijgen in cabaretland en nu vraag ik me soms af: is er wel een toekomst voor ons als nieuwkomers in dit landschap? Van die gedachte kan ik wel verdrietig worden.”

Ze zeggen daarom op alles ja. „Wij verdienen geen reet, hebben allebei nog een baan ernaast, maar doen het op argumenten als: ‘vlieguren maken’, ‘elk zieltje is er een’, ‘fanbase aanleggen’. We staan op de vreemdste plekken. Laatst in een grote zaal waar het galmde, op campings, of zelfs op een podium met mensen om ons heen. Maar het fijne is, je creëert een goede basis en je leert overal spelen.”

Dat herkent Kardol: „We spelen op gekke plekken, waarbij je je moet leren aanpassen. Dat maakt je een betere speler. Maar het is ook ploeteren soms. Ik trad laatst op Vlieland op, tussen het helmgras. Mijn regisseur, Wimie Wilhelm, programmeert daar al jaren een zomerweek. Normaal spelen we in een theaterzaal, maar die werd gebruikt door het naastliggende restaurant. Wimie belde me op: ‘Er is een duinpan waarin je kan spelen.’ Ik dacht: ‘Leuk, ik mag weer.’ Maar toen ik daar stond, wilde ik wegrennen. De coulisse was een struik. En de voorstelling had geen begin, een gordijn dat openging ofzo. Alleen Wimie, die over de hoofden van het publiek heen riep: ‘Nou, kom maar dan.’ Dan sta je daar. Je kijkt die mensen recht aan, zonder speciaal licht. De lach vervliegt ook snel.”

Dat is een van de grootste zorgen van cabaretiers: hoe krijg je een zaal aan de praat waarin veel minder mensen zitten? Kardol: „Er wordt wel gelachen. Mensen steken elkaar alleen minder aan. Zo’n lach blijft niet hangen, je krijgt niets cadeau. Maar elke lach die je hebt, is gemeend.”

Panday: „Ik ben hierdoor wel minder gaan spelen op winstbejag. Je weet, er zijn minder mensen, dus de lach is veel minder hard. Ik ben mezelf meer gaan afvragen: wil ik dit echt vertellen? Ook als er geen flinke lach komt? Je kijkt nog strenger naar je materiaal. Maar ik heb nu meer rust, omdat ik erop vertrouw dat wat ik vertel interessant genoeg is.”