‘Jongens van zestien van wie ik de oppas was geweest stonden te roepen dat ik dood moest’

Azc-oproer In 2015 liep een inspraakavond over de komst van een azc in Steenbergen uit de hand. Een voor- en tegenstander van het azc gingen daarna de politiek in. Hoe kijken zij terug op het protest?

De locatie aan de rand van Steenbergen waar in 2015 een azc was gepland.
De locatie aan de rand van Steenbergen waar in 2015 een azc was gepland. John van Hamond

Onzichtbaar kon je de inwoners van Steenbergen na die avond in 2015 bepaald niet noemen. Met honderden waren ze naar de sporthal gekomen om te laten weten wat ze vonden van de plannen om ook in hun gemeente, midden in de vluchtelingencrisis, asielzoekers op te vangen. Er waren middelvingers, spreekkoren. „Vol is vol”, werd er geroepen, en „landverraders”. Alleen in de hoek van de zaal bleef het de hele avond stil: daar zaten de leden van de Steenbergse gemeenteraad. De organisatie had voor de zekerheid voor hen een vluchtroute ingericht.

Die stilte, zegt Danker Kouwen, die zat hem die avond het meeste dwars. Het was voordat hij de politieke mores leerde kennen, voordat hij zelf politicus werd en leerde dat er zoiets is als een ‘beeldvormende vergadering’, eentje waarbij de lokale politiek alleen langskomt om te luisteren. Kouwen, een van de aanvoerders van het azc-verzet, had weinig op met zwijgen. „Wij zagen: dit is een raadsvergadering. En kijk eens, die raadsleden trekken de mond helemaal niet open.”

Tienduizenden vluchtelingen moest Nederland in de herfst van 2015 in korte tijd opvangen en huisvesten. De aantallen en de haast overvielen bestuurders in Nederland. Maar de vluchtelingen waren niet de enige groep die haar opwachting maakte in goedgevulde gymzaaltjes en bestuurders overvielen met hun komst. Ook de boze burger raakte die dagen ingeburgerd.

Danker Kouwen, tegenstander van het azc.

Op papier bestond-ie al lang, die boze burger. De ongehoorde Nederlander. De ontevreden kiezer. De gewone man in een nieuw jasje, voorzien van een scheut extra cynisme. Kiezersonderzoeken hadden hem en haar al vaak opgespoord. Als er iets was dat deze boze burger lange tijd kenmerkte, zo luidde de consensus, was het anonimiteit en schuchterheid. Alleen in het stemhokje kreeg de onvrede gestalte. Vandaar de angst voor een ‘stille meerderheid’, vandaar de ‘gordijnbonus’ waarmee de opmars van partijen als de PVV verklaard kon worden.

In de herfst van 2015 trad de onvrede uit de coulissen. Tijdens rumoerige inspraakavonden over de komst van asielzoekerscentra bleek de ongehoorde Nederlander behoorlijk mondig. Burgers en bestuurders botsten hard – op straat in het Drentse Oranje, in de raadszaal van Geldermalsen en ook, op 21 oktober 2015, in de gymzaal in Steenbergen.

‘Een druppeltje te veel’

Zestienduizend zielen telt Steenbergen. Zeeland is niet ver weg, België evenmin. En stap je in de auto, dan zit je in een half uur op de Rotterdamse ring. Twee kramen telt de markt nog, de rest van het dorpsplein wordt ingenomen door terrassen, eetcafés en een Surinaamse broodjeszaak. Het is er in Steenbergen moeilijk tussenkomen voor wie er niet vandaan komt, klinkt het daar.

Danker Kouwen hoefde er nooit tussen te komen. Hij komt al sinds zijn middelbareschooljaren in Steenbergen, woont er alweer vijftien jaar, kent er alles en iedereen. En hij zag, vertelt hij tussen de lege stoeltjes op het terras, hoe het al jaren de verkeerde kant op ging. Het politiebureau kromp. Starters op de woningmarkt stonden in de kou. Bestuurders luisterden niet naar de inwoners.

En toen kwam ook nog eens de aankondiging van dat azc. Kouwen – korte coupe, procesoperator in de chemie in de haven van Bergen op Zoom – dacht: „Het is even een druppeltje te veel geweest.”

Dasja Abresch, voorstander van het azc.

Foto’s John van Hamond

Met gelijkgestemden ging hij op onderzoek uit. De gemeente bleek een stuk grond naast het nieuwe gemeentehuis en een basisschool op het oog te hebben, maar erg duidelijk was de communicatie niet. Ze maakten spandoeken, discussieerden mee op Facebookpagina’s als ‘Geen azc in Stb’ en meldden zich aan om in te mogen spreken.

Nee, hij heeft niet meegezongen toen de zaal zich tegen de voorstanders keerde, zegt hij, en hij deed al helemaal niet mee aan het bedreigen van Dasja Abresch. Abresch hoorde op die oktoberavond bij het kleine kluitje Steenbergenaren dat zich vóór het azc uitsprak. Ze kreeg de halve sporthal over zich heen. Tegenstanders onderbraken haar verhaal. „Daar moet een piemel in”, zongen ze. Daarna liep de spanning zo hoog op dat de politie zich gedwongen zag Abresch te evacueren naar een geheime locatie. Degenen die daarvoor zorgden, benadrukt Kouwen, vormden „een heel klein clubje”.

Later meldde een aantal media dat een deel van de tegenstanders van buiten Steenbergen kwam. Er werd gezegd dat de harde kern bestond uit een groepje Feyenoord-hooligans, uit op rellen. Niets daarvan, zegt Kouwen. „Er zat van alles bij, fans van elke club. Een hele grote groep. Links, rechts, alles. Zelfs Ajax-seizoenskaarthouders. Achthonderd mensen op één inspraakavond, dat zegt toch wel wat.”

Ook Dasja Abresch wist precies wie ze tegenover zich had. Zo groot is Steenbergen niet, ze kende de gezichten. „Dat was gewoon lokaal product. Jongens van zestien van wie ik de oppas was geweest toen ze klein waren, stonden te roepen dat ik dood moest.”

Ze wist vantevoren dat ze tot een minderheid behoorde. En dan bedoelt ze: de minderheid die zich durfde uit te spreken. „Na die avond zijn er tientallen vrijwilligers bijgekomen om in Steenbergen vluchtelingen te helpen. We zijn hier geen neonazistisch bastion of zo. Maar als 27 van de 30 insprekers zich het luidst hebben geuit, ontstaat bij die groep het idee dat zij de meerderheid vertegenwoordigen en dat ze hun zin moeten krijgen.”

NRC sprak Dasja Abresch na de inspraakavond (2015): Zij durfde het. En werd uitgescholden

Steen door de voorruit

De gemeente wist zich geen enkele raad met al dat tegengas, zegt Abresch. Geen wonder dat mensen dan boos worden. „Als je naar mensen luistert en opschrijft wat ze zeggen en dan zegt ‘Bedankt, we komen erop terug’, schep je daarmee ook de verwachting dat er wat mee gedaan wordt. Maar dat was helemaal niet het doel. Ze initiëren zo’n gesprek helemaal niet om te luisteren en er iets mee te gaan doen.”

Nadat Abresch door de politie in veiligheid was gebracht, hield het niet op. Ze kreeg een steen door de voorruit, zegt ze, en haar band werd lekgestoken. Er werd naar haar geroepen op straat en bij de buren werden bierflesjes tegen de garage gegooid. „Die waren vast voor mij bedoeld”, zegt ze. „Maar daar ben ik niet zo van onder de indruk hoor.”

Het asielzoekerscentrum is er nooit gekomen. Sinds een aantal jaar vangt Steenbergen wel statushouders op, die verspreid over de gemeente wonen. Op de lap braakliggende grond die ooit was aangewezen als mogelijke azc-locatie, is een nieuwbouwwijk verrezen, waar de straten de namen dragen van vestingwerken: Lunet, Redoute, Bastion.

Ook in Geldermalsen ging een streep door de plannen voor een asielzoekerscentrum. In Oranje, waar inwoners de dienstauto van toenmalig staatssecretaris Klaas Dijkhoff hadden belaagd, werd de asielcapaciteit na een Tweede Kamer-motie toch niet uitgebreid. Burgemeesters kwamen zo tegemoet aan hun inwoners, maar ook aan de wensen van het Binnenhof. Daar werd de ontevreden burger niet genegeerd, maar juist omarmd. Landelijke politici zeiden de onvrede te begrijpen. En ze gingen, in de woorden van Kouwen, „op de stoel van de plaatselijke politiek zitten”.

Uit Den Haag is de ongehoorde kiezer sindsdien niet meer weg te denken. De ‘boze burger’, zei Sybrand Buma als CDA-leider in 2017, was eigenlijk niets anders dan de ‘gewone Nederlander’, verweesd en in de steek gelaten door de politiek. Gert-Jan Segers (ChristenUnie) zag een verdeelde samenleving, schreef hij vorig jaar nog, vol burgers die zich ongehoord voelden. Mark Rutte (VVD) nodigde als premier gele hesjes en andere demonstranten uit op het Torentje. De kloof was er, en ze moest geslecht worden.

Was die kloof er wel? „Het debat over identiteit levert vaak de suggesties op van een gepolariseerd land”, stelde het Sociaal-Cultureel Planbureau vorig jaar vast in een lijvig rapport. „Waar Nederlanders het wél over eens zijn, sneuvelt in de discussie en komt dan vaak niet aan bod, waar we het níét over eens zijn wordt juist breed uitgemeten.” Terwijl het vertrouwen onder burgers in politici schommelt, is het vertrouwen in het systeem goeddeels onveranderd. De grootste bedreiging, volgens de ondervraagden in het SCP-onderzoek: polarisatie.

Lees ook (2019): Politici wilden luisteren, maar zagen alleen nog boze burgers

Burgers serieus nemen, denkt Dasja Abresch, dat doe je niet alleen maar door te luisteren. „Soms denk ik: je moet als politiek ook eens wat vaker zeggen waar het op staat. Je mag ook wel eens zeggen: kom op, stel jezelf eens niet zo aan. Of: je kan dit wel vinden, maar we gaan hier niet ons beleid op aanpassen.”

Tweeëneenhalf jaar na de inspraakavond werd ze met voorkeursstemmen in de gemeenteraad gekozen, voor Gewoon Lokaal! Steenbergen. Deze zomer stapte ze op. De sfeer in de raad is verslechterd, zegt ze. Grimmiger geworden. „Ik zag het in 2015 voor het eerst bij de azc-tegenstanders. En die hebben daar wel een soort van moed uit geput en zijn dat vaker gaan doen. Ik zie het bij een deel van de boeren, bij Viruswaanzin, ook op links hoor. Heel hard hele harde dingen zeggen, alsof je daarmee je gelijk bewijst.”

Duw in de rug

De ontevreden burger is een mondige, soms provocerende burger geworden, dat ziet Danker Kouwen ook. Maar dat is volgens hem vooral het bewijs van het succes van de formule. „Of denk je dat de boeren bereikt hadden wat ze tot nu bereikt hebben als ze alleen gingen praten?”

Vraag je het aan Kouwen, dan is 2015 juist een duw in de rug geweest. Zijn poging om een referendum over het azc te organiseren strandde, maar de behulpzaamheid van de griffie „was een eye-opener”. Hij ging vaker langs bij de raad, kwam in 2018 in de raad voor de Volkspartij Steenbergen en belandde een jaar later na een bestuurscrisis in de coalitie – net als Dasja Abresch.

„Lokale politiek is mooi”, zegt Kouwen. „Je kunt met iedereen samenwerken en je hebt alles in de hand: je kunt er precies zoveel uren in steken als je wilt en kunt.” Beheers je dat spel, weet hij, dan kun je zomaar het verschil maken. Zodra de Volkspartij tot het college toe-trad, zorgde de partij ervoor dat in het nieuwe coalitieakkoord zwart-op-wit kwam te staan dat Steenbergen niet meer vluchtelingen zou opnemen dan het landelijk minimum.

Winst, vond Kouwen dat. Hij weet nu wanneer je toe moet slaan bij coalitieonderhandelingen, waar compromissen volstaan en hoe je meerderheden van coalitie- én oppositiepartijen kunt smeden.

„Schitterend”, zegt hij, en hij grinnikt. „Dát is politiek.”