Opinie

Het ziekenhuis functioneert, maar vraag niet hoe

Emma Bruns

Het is zondagmiddag. De kleine rode telefoon in mijn borstzak kent geen rust. Ongeveer iedere vijf minuten, zo niet vaker, rinkelt het ding. Huisartsen die een kind met buikpijn willen langs sturen, verpleegkundigen die zich zorgen maken om de lage bloeddruk van een geopereerde patiënt op de afdeling, de internist die ons advies wil over een man met een koud been. Het voelt af en toe als een computerspel waarin je een voortdurende stroom aan aliens zo snel mogelijk weer de ruimte in moet slaan, anders ben je af.

Ik sta ondertussen aan het bed van een dakloze vrouw van een jaar of vijftig. Ze heeft vanmiddag plots veel pijn gekregen in haar bovenbuik en omstanders hebben een ambulance gebeld. De doordringende geur van ongewassen kleren en alcohol roept tal van verhalen op in mijn hoofd. Ze kijkt me scherp en argwanend aan.

Net op het moment dat ik in rust de buik wil onderzoeken, rinkelt de telefoon weer. „Ja met de verpleegkundige van afdeling 260. Ken je meneer N.?” Opgeschrikt door het geluid van de telefoon en de onrust spant de vrouw haar buik alweer zodanig aan dat-ie niet meer goed te onderzoeken is. Ik kijk verontschuldigend naar haar, schuif het gordijn opzij en loop naar de gang. „Ja, hij gaat morgen op de operatiekamer en zijn thuismedicatie is nog niet ingevoerd. En kun je misschien zo nog even langslopen voor een nieuw infuus voor mevrouw A.?”

Als ik de buik heb onderzocht en een scan heb aangevraagd om een maagperforatie uit te sluiten – wat betekent dat je eerst uit een allegaartje van PDF-documenten van eerdere ontslagbrieven de voorgeschiedenis moet ontcijferen, vervolgens een order in een MS-DOS-ogend computersysteem moet fabriceren met op z’n minst zeven invulvelden, waarna je diezelfde gegevens hardop aan de telefoon moet doorgeven aan een medewerker van de radiologie-afdeling die vervolgens de order doorgeeft aan de radioloog – heb ik tijd voor de thuismedicatie van meneer N. Terwijl ik zijn waslijst aan pillen aanvink en overneem naar het opnamesysteem, verschijnen er zo’n acht foutmeldingen. Systematisch scrol ik er doorheen maar echt waarnemen doe ik niet meer; dit gebeurt altijd en het komt ook altijd goed. Ondertussen gaat mijn telefoon nog vier keer.

Mijn grootvader was huisarts. En hoewel ik echt niet denk dat alles vroeger beter was, krijg ik wel steeds meer het idee dat we iets kwijtraken. Iets wat al sinds de oude Grieken een groot goed was en de mensheid, en de chirurgie bij uitstek, bijzonder ver heeft gebracht: de logica. In de zorg ook wel ‘klinisch redeneren’ genoemd. Het vermogen om zonder al te veel poespas je boerenverstand te blijven gebruiken. En dat vereist de discipline om gestructureerd te werken, de kennis om de informatie die je aangeboden wordt op waarde te schatten en een systeem dat je vervolgens helpt om de volgende stap te zetten op weg naar een diagnose en een behandelplan.

Als we de komende jaren de zorg betaalbaar en kwalitatief op hetzelfde niveau willen houden, zullen we drastisch moeten investeren in het gezond verstand. De huidige generatie dokters en verpleegkundigen wordt grootgebracht in een moeras van protocollen en niet-functionerende computersystemen. De enige mogelijkheid om je hoofd boven water te houden in de hectiek van de alledaagse praktijk is de zogenaamde ‘workaround’: een voor de logisch denkende buitenstaander totaal onbegrijpelijke houtje-touwtjeconstructie die je helpt om de gebreken van het systeem te omzeilen.

Zo circuleert er in het ziekenhuis een privé-laptop van een medewerker met de software van de etikettenprinters omdat die voortdurend crashen. In ons computersysteem kun je het best twee keer dubbelklikken op de naam van je patiënt anders verspringt het scherm altijd naar een andere dag. De rijdende computer op de acuteopnameafdeling kun je niet gebruiken in de laatste kamers, want daar is geen bereik meer.

Terwijl ik mijn handen in de alcohol drenk om te gaan assisteren bij het sluiten van het gat in de maag van de dakloze vrouw, rinkelt de telefoon weer. De operatiekamerassistente neemt op. „De glucosespiegel van meneer T. is te hoog en de interne is er nog niet bij.” Ik antwoord dat een bijspuitschema te vinden is in het uitklapschermpje bij de insuline. Tegelijkertijd richt ik de camera in de buik op het gat in de maag. Mijn opleider hecht het vakkundig dicht. De natuur accepteert geen workarounds, misschien moeten wij dat ook niet meer doen.

Emma Bruns is arts-onderzoeker en chirurg in opleiding.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.