Opinie

Weer is het populisme het antwoord op een dwalende tijd

Essay De coronacrisis is een katalysator voor de vele vormen van maatschappelijke onvrede, ziet . Grote veranderingen in de samenleving maken de populistische reactie tot duurzame politieke kracht.

We leven in rare tijden. Het coronavirus waart onzichtbaar rond, elk sociaal contact is in principe riskant. Bovendien schijnt al het ongenoegen dat zich de laatste jaren heeft opgekropt er nu uit te komen. Daarmee lijkt deze pandemie te functioneren als een katalysator die al langer bestaande spanningen op de spits drijft. Je zou van een nieuw abc kunnen spreken: een clustering van antivaxxers, boeren en complotdenkers.

De vraag is of populistische dan wel autocratische politici van deze nieuwe beweging zullen profiteren, ondanks het geringe succes van dit type leiders bij de bestrijding van de coronapandemie, zoals vorige maand in NRC gesignaleerd (Populisten tonen zich slappe vaders bij aanpak corona, 18/7).

Waar je ook kijkt, het lijkt wel of polarisering de marsroute bepaalt, in de samenleving en in de politiek. Opvallend daarbij is het radicalisme waarmee de #metoo-beweging en de Black Lives Matter-beweging dwingen tot aanpassing van wat tijdenlang als vanzelfsprekend werd ervaren. In 1970 nog zongen de Isley Brothers ‘Girls Will Be Girls, Boys Will Be Boys’, maar dat klinkt nu zeer ongepast. Sinterklaas werd het ultieme symbool van een white supremacist. De verhouding tussen boeren en overheid heeft inmiddels de trekken aangenomen van een culture war.

En dit alles in een periode waarin de wereld elke richting lijkt te hebben verloren. Zo is het verschijnsel-Trump in allerlei opzichten dermate onrustbarend, dat er boeken verschijnen met de vraag: wat te doen als Trump na een verkiezingsnederlaag weigert het Witte Huis te verlaten (Lawrence Douglas, Will He Go?). Maar ook elders – in Hongarije en Polen onder andere – zijn er politici die streven naar een ‘illiberale democratie’. De rechtsstaat lijkt de laatste tijd alleen nog gewaardeerd als het ze goed uitkomt. Het meest verontrustende is wellicht nog dat deze politici bij verkiezingen over zoveel aanhang blijken te beschikken.

Vergelijken met de jaren ’60

Kortom, op verschillende terreinen tekenen zich fundamentele veranderingen af, deels overgewaaid uit de Verenigde Staten maar hier op een vruchtbare bodem terechtgekomen: denk aan termen als ‘nepparlement’ en ‘dikastocratie’. De onzekerheid die van dit alles het gevolg is, leidt tot de vraag of er tussen al die uiteenlopende verschijnselen een verband is, een diepere samenhang. Bij het zoeken naar een antwoord ligt het voor de hand om naar eerdere perioden te kijken: het onbekende kan moeilijk anders dan vanuit het bekende worden geïnterpreteerd. In dit opzicht wordt in de media dan ook regelmatig verwezen naar de jaren 1917-1919. In die periode veroorzaakte de Spaanse Griep miljoenen doden, woedde een wereldoorlog die de fundamenten van de Europese beschaving aantastte en waarde het revolutiespook rond. Ook toen heerste de opvatting dat alle oude zekerheden in het ongerede waren geraakt en een nieuwe samenleving diende te worden ingericht. De juriste Clara Wichmann schreef in 1917: „En zeker is het waar, dat een zoekende tijd vanzelf ook een dwalende tijd is.” Dat dwalen had onder andere tot gevolg dat velen vielen voor de totalitaire verleiding, zoals Mark Mazower in zijn briljante Dark Continent (1998) heeft beschreven.

Maar minstens zo relevant is een vergelijking met een meer nabije periode, de jaren zestig. Ook toen waarde een virus rond, de Hongkonggriep, een mutatie van de Spaanse Griep. Maar ook toen was er meer aan de hand. De neergang van belangrijke instituties die zich bewegen op het terrein van de betekenisgeving aan het leven begon in deze tijd. Het domein van de cultuur, ooit gezegend met een vanzelfsprekende status, werd niet langer ervaren als het terrein waarop de menselijke conditie werd geïnterpreteerd. Dat leidde er bijvoorbeeld toe dat een minister de beoefening van kunst een hobby dacht te moeten noemen. Maar ook de grote ‘volkskerken’ verloren in deze periode hun eeuwenoude plaats in de samenleving. Kerken speelden in het openbare leven geen enkele rol meer. Voor zover mensen nog naar de kerk gingen, was dat „a Sunday hobby”, zoals een Engelse historica eens opmerkte. Kardinaal Simonis stelde bitter vast dat „het vaststellen van waarden en normen” niet langer door de kerken – of ruimer: in de samenleving – gebeurde, maar door politiek Den Haag.

En dat laatste is nu juist de vraag. De politiek is – volgens de Amerikaanse politicoloog David Easton (in 1953) – de plaats waar de „gezaghebbende toedeling” van waarden in een samenleving plaatsvindt. Maar juist in de jaren zestig raakte de politiek volledig op drift. Het ledental van de gezamenlijke politieke partijen halveerde tussen 1960 en 1970. De band tussen politieke partijen en de daarmee verwante organisaties begon te ontrafelen. Daarmee vervaagde het min of meer vanzelfsprekende gevoel bij grote delen van het electoraat – dankzij de banden tussen partijen en ‘middenveld’ als kerken, kranten, vakbonden – vertegenwoordigd te zijn in Den Haag. Waren verkiezingen eerst bijna volkstellingen, met slechts kleine verschillen in de uitslagen, in de jaren zestig werden deze verschillen aanzienlijk. Nieuwkomers als de Boerenpartij en D’66 konden onverwachte resultaten boeken. Dit was in sterke mate het gevolg van het feit dat politici zich steeds meer vereenzelvigd hadden met de bureaucratie en met belangenorganisaties. Gezamenlijk vormden zij een ‘ijzeren ring’ waar moeilijk tussen te komen viel, en die het openbaar debat smoorde in voldongen feiten.

Succes voor Boerenpartij en D’66

Het onbehagen, het gevoel niet gehoord te worden, kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in de oplagecijfers van De Telegraaf, die in deze jaren uitgroeide tot de grootste krant van Nederland. Het manifesteerde zich ook in het feit dat de Boerenpartij ver buiten agrarische kringen succes wist te boeken: in 1966 stemde in Amsterdam tien procent van het electoraat op deze partij. Maar ook een partij als D’66 deelde in het onbehagen. In 1967 verklaarde de partij pontificaal: „Het huidige bestel is ziek en moe. […] Wij willen een nieuwe democratie.”

Dat is er dus niet van gekomen, integendeel. De politieke klasse heeft het eigen gedrag tot ‘poldermodel’ verheven. Dat heeft zeker een aantal belangrijke successen opgeleverd, met name om de economische crisis in de jaren tachtig te doorstaan. Daarmee kwamen echter de waarden uit de economie centraal te staan in de politiek: winstmaximalisatie, efficiency en nut. En doordat tegelijkertijd de kernwaarden van de cultuur, in brede zin, hun betekenis hadden verloren, kwam het veld open te liggen voor politieke entrepreneurs als Fortuyn en de daaropvolgende tovenaarsleerlingen.

De crisis die we nu doormaken is niet alleen te vergelijken met die van de jaren zestig, met name op het terrein van de politiek – deels is zij ook een voortzetting van wat er in die periode gebeurd is. De essentie van ‘de jaren zestig’ was de alom opbloeiende behoefte aan „de broederlijkheid der directe betrekkingen”, zoals Max Weber dit heeft getypeerd. Het afwijzen van hiërarchische verhoudingen (‘het is verboden te verbieden’) werd verbonden met een streven de opleidings- en inkomensongelijkheid te verkleinen. Iedereen moest de ruimte hebben om ‘zichzelf’ te zijn, de eigen individualiteit te ontplooien. Maar parallel aan deze ontwikkeling ging de samenleving over naar een globaliserende diensteneconomie. De nieuwe individualiteit kwam uitstekend van pas op de nieuwe arbeidsmarkt, waarin de nadruk viel op flexibiliteit en communicatieve vaardigheden. Vanaf de jaren tachtig werd echter steeds duidelijker dat die nieuwe economie de ongelijkheid sterk deed toenemen. Individualiteit en gelijkheid bleken niet in elkaars verlengde te liggen. Met andere woorden: een meritocratie vergt krachtig flankerend beleid om de boel een beetje bij elkaar te houden. De welbekende ‘verkruimeling’ van de traditionele middenpartijen ligt in hun onvermogen daar woorden voor te vinden.

Lees ook: De samenleving waar populisten naar verlangen is onhaalbaar

Emancipatie en verzet

De vraag is hoe de samenleving zich nu verder zal ontwikkelen. Te voorzien valt dat de machtsbalans tussen mannen en vrouwen, die al enige decennia aan het verschuiven is, zich nog verder ten gunste van vrouwen zal bewegen. Het vervangen van Willem Drees door Marga Klompé in de Canon is er slechts een klein voorbeeld van. Van recenter datum is het tegengaan van xenofobe en racistische gedragingen en dat zal zich ongetwijfeld intensiveren. Wat dat betreft gaat het hier om de groeipijnen van een samenleving die zich nu wat bewuster aan het transformeren is naar een meer gevarieerde samenstelling. Deze emancipatiebewegingen zijn wellicht nog het beste te vergelijken met de overstromingen van rivieren: die zijn lastig en soms gevaarlijk, maar laten doorgaans vruchtbare grond achter.

Moeilijker is het om iets te zeggen over de toekomst van het populisme, dat zich juist concentreert op een verzet tegen dit soort veranderingen. Deze stroming concentreert zich – om in de metafoor te blijven – op dijkbewaking in plaats van ‘ruimte voor levende rivieren’ te scheppen. Het zal dus standbeelden ‘bewaken’, de regionale ‘identiteit’ benadrukken of polemisch gebruik maken van een grotendeels imaginaire ‘joods-christelijke traditie’.

Vooralsnog wordt in tal van studies de nadruk gelegd op de incoherentie in het denken en handelen van deze veelvormige beweging. Hierin schuilt impliciet de gedachte dat het populisme min of meer vanzelf zal vervluchtigen en dus een voorbijgaand verschijnsel is. Dat betwijfel ik. Het populisme was al vroeg in de negentiende eeuw aanwezig, als reactie op grote maatschappelijke transformaties en gebruik makend van de democratie. Na de Tweede Wereldoorlog ontnam sterk overheidsoptreden, met name de opbouw van een verzorgingsstaat, er de voedingsbodem aan. Maar in de jaren zestig stak het weer de kop op en sindsdien won het aan betekenis. Gezien het feit dat ons nog pittige veranderingen te wachten staan, zou het populisme een meer duurzame politieke kracht in de samenleving kunnen worden.

Hier is wellicht een les uit het verleden ter harte te nemen. Zelfs een zeer intellectuele stroming als het socialisme kende grote onderlinge verschillen. Marx en later Kautsky hebben een harde strijd moeten voeren om hun interpretatie dominant te laten worden. En in 1928 was volgens de Franse socioloog Durkheim het socialisme nog bovenal „een kreet van smart en soms van woede”. Meer sentiment dan theorie, dus. Op een vergelijkbare manier kan het illiberale populisme het kristallisatiepunt worden van het nieuwe abc van het ongenoegen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.