Opinie

Zorgsalarissen lenen zich niet voor politieke spelletjes

Kamerdebat

Commentaar

Als zorgmedewerkers hun boodschappen konden betalen met complimenten, dan had de sector er heel anders uitgezien. Toen de Tweede Kamer woensdag debatteerde over een „structureel forse salarisverhoging” voor zorgpersoneel, voorgesteld in een motie van PVV-leider Geert Wilders, regende het mooie woorden. Opnieuw, want het was niet voor het eerst dat de Kamer hierover sprak tijdens de coronacrisis. Het vorige debat was een week eerder geëindigd in een politiek buitengewoon schadelijke zet van de coalitiepartijen, die zoveel Kamerleden hadden laten vertrekken dat een hoofdelijke stemming onmogelijk werd gemaakt. Dus ging het opnieuw over de „helden” (een woord dat door vijf fractievoorzitters werd gebruikt), die het afgelopen half jaar onder uiterst moeilijke omstandigheden, vaak met gevaar voor eigen leven en gezondheid, klaar hadden gestaan om de hardste klappen van de coronacrisis op te vangen. De motie van Wilders werd door de coalitie weggestemd. Daar zijn op zich valide argumenten voor, hoe sympathiek de motie ook klinkt. ‘Den Haag’ bepaalt niet op eigen houtje wat de hoogte van zorgsalarissen is. Dat gebeurt in het overleg tussen werkgevers en werknemers, al speelt de overheid ook een rol. Extra geld dat de overheid in de zorg steekt, moet elders weggehaald worden. De salarissen in de zorg zíjn de afgelopen jaren al gestegen, meer dan in andere delen van de publieke sector. Beloning van zorgpersoneel verdient een rationeel debat, waarbij ook deze argumenten gehoord moeten worden.

Het probleem met het debat over zorgsalarissen is dan ook niet zozeer de motie-Wilders, of het wegstemmen ervan, maar de manier waarop de laatste weken cynisch politiek wordt bedreven over de rug van zorgpersoneel. Het ‘wegloopdebat’ van vorige week was een aanfluiting. Niet alleen omdat de coalitie het liet afweten, maar ook door de manier waarop de oppositie (informele) afspraken over hoofdelijke stemmingen handig omzeilde, en zo tactisch een puntje kon scoren.

Onacceptabel is het dat een motie die al in maart is aangenomen, aan het begin van de coronacrisis, nog altijd niet is uitgevoerd. De Kamer stemde unaniem in met een bonus van 1.000 euro voor zorgmedewerkers. Dat geld is nog altijd niet overgemaakt. Premier Rutte (VVD) zei tijdens het Kamerdebat van woensdag dat dit „heel precies moet gebeuren”, en beloofde na wat tegenspel dat het voor Kerst op de rekening van de zorgmedewerkers zou staan. Het klonk erg zuinig, na een complimentenregen waar de minister-president ook aan had meegedaan.

In de coalitie wordt óók tactisch gehandeld. De coalitiepartijen verzetten zich niet langer tegen extra geld voor de zorg, met de verkiezingen voor de Tweede Kamer in zicht. Ze willen dat het kabinet rond Prinsjesdag met een uitgewerkt plan komt. Zo houden zij het initiatief, en dwingen ze de oppositie in een lastige rol: meestemmen en de coalitie hun momentje gunnen, of tegenstemmen ten koste van de zorg.

Wat heeft de zorg hieraan? Niet erg veel. De hoge werkdruk in de zorg, de bureaucratisering, de personeelstekorten – daarover gaat het niet. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) stelde begin dit jaar vast dat werknemers in de publieke sector, zeker ook in de zorg, een hoge werkdruk en weinig autonomie ervaren. Ze hebben bovendien last van stress, agressie, veeleisende burgers en weinig waardering. Dat probleem is fundamenteler dan alleen de hoogte van het salaris, en daar is een grondig politiek debat over nodig.