Recensie

Recensie Boeken

De atoombom die nooit tot ontploffing kwam

Robert MacfarlaneNess is een lyrisch prozagedicht over natuurkrachten in een wondermooi gebied waar jaren is gewerkt aan de atoombom. Het is een feest om de vertaling naast de originele Engelse versie te leggen, schrijft .

Illustraties Stanley Donwood

Timing is cruciaal als je de ondiepe, grillige monding van de Ore wilt binnenvaren, een rivier aan de Engelse oostkust. Precies twee uur voor hoogwater is het beste moment; dan heffen de vloedstroom en de uitgaande stroom van de rivier elkaar zo’n beetje op en staat er water genoeg om tussen de grindbanken niet aan de grond te lopen. Evengoed doe je het de eerste keer met zweet in je handen, steeds één oog op de dieptemeter en met het geluid in je oren van ontelbare steentjes die door de branding worden opgetild en sissend weer gaan liggen.

Die steentjes. In de Middeleeuwen lag het stadje Orford nog aan zee, zijn haven in de luwte achter een kaap van grind die al duizenden jaren zuidwaarts groeide. En bleef groeien, steentje voor steentje langs de kust, zodat de rivier nu een kilometer of tien naar het zuiden kronkelt voor ze de zee bereikt. De desolate landtong van grind heet Orford Ness en is het decor van Ness, een nieuw boekje van Robert Macfarlane, een lyrisch prozagedicht met fijne pentekeningen in zwartwit van Stanley Donwood.

Het is de naam die Macfarlane heeft gegeven aan de trage maar onstuitbare kracht die zulke steentjes verlegt. Het is ‘drift’ – van ‘op drift’, niet ‘woede’. Het is het getij en de oceaanstromingen en kent geen einde. Het is ook ‘een hermemietkreeft die op een atol in de Stille Zuidzee een potje voor Avon-gezichtscrème tot schelp neemt’ en ‘het hout waaruit de eerste mensen zijn gesneden’.

Het is een van vijf natuurkrachten. De andere vier heten hij, zij, ze en als – respectievelijk de natuur in de vorm van vogels en planten; de groeikracht van zwammen en korstmossen die op den duur rotsen kan splijten; de bewegingen van en in de aarde; en tenslotte de ‘vreemdste van alle vijf, die uitsluitend bestaat als gelijkenis’. Als is ‘snel als storm & traag als teer’, als is (of lijkt) beeldspraak, de taal die al die beelden mogelijk moet maken.

Het ‘richt zich op uit pallethout & flessendoppen’, hij heeft ‘botten van wilgen & hij zingt in vogels’, zij ‘ademt sporen’ en ze sturen ‘stenen door de tijd om hun visioenen te voorzeggen’. De vijf krachten zijn ‘meer dan menselijk’ – als ze een personage zijn, dan misschien zoals Giuseppe Arcimboldo ze in de zestiende eeuw schilderde, geheel opgetrokken uit vruchten, bloemen, vissen of boeken.

Vanuit verschillende richtingen snellen ze op Ness toe om een noodsituatie het hoofd te bieden. ‘Alle vijf weten ze waar ze naartoe moeten & waar ze de strijd mee moeten aanbinden & waar ze naartoe moeten is de Groene Kapel.’

Streng verboden toegang

Nu is Orford Ness een natuurmonument, eigendom van de National Trust. Op zondagen zet de veerman je over het grijze water van de rivier en kun je er ronddwalen in het oogverblindende licht. Het grootste deel van de vorige eeuw was het hier streng verboden toegang. Het ministerie van Defensie deed er proeven met explosieven en radar en testte er componenten voor de Britse atoombom. In het terrein staan her en der nog steeds half geruïneerde betonnen bunkers en observatietorens. Uit het grind groeit prikkeldraad.

Kort nadat de militairen waren vertrokken, bracht de schrijver W.G. Sebald er een bezoek. In de trillende lucht boven de horizon zag hij ‘niets dan verwoesting’, schreef hij in The Rings of Saturn (1995). Vanuit de verte gezien leken de betonnen gebouwen, ingebed in kiezelsteen, op ‘grafheuvels waarin in prehistorische tijden heersers werden begraven met al hun gebruiksvoorwerpen, zilver en goud’.

Maar hoe dichterbij hij komt, hoe meer hij het gevoel krijgt dat hij zich bevindt ‘tussen de restanten van onze eigen samenleving nadat die door een toekomstige catastrofe is uitgestorven. […] Waar en in welke tijd ik die dag op Orford Ness werkelijk ben geweest, dat kan ik ook nu, terwijl ik dit schrijf, niet zeggen.’

Daar, in die zone waar een luikje lijkt open te staan naar een andere dimensie, buiten of naast de tijd, althans de onze, ligt de ‘Groene Kapel’. In die ruimte onder een pagode-achtige betonkoepel werden ooit nucleaire ontstekingsmechanismes blootgesteld aan de vibraties en temperatuurwisselingen waartegen ze bestand zouden moeten zijn als de Koude Oorlog een warme zou worden. Hier laat Macfarlane een sinister groepje mensen bijeen komen, dat onder leiding van ‘de Wapenmeester’ daadwerkelijk een atoombom tot ontploffing wil brengen. Aan de vijf natuurkrachten om dat te verhinderen.

[Tekst loopt door onder de foto]

De vuurtoren van Orford Ness. Foto Joe Giddens

Fatale aantrekkingskracht

Macfarlane debuteerde in 2003 met Mountains of the Mind, over de fatale aantrekkingskracht van bergtoppen. Daarna schreef hij The Wild Places (2007) over de notie van ‘ongerept’, het wandelboek The Old Ways (2012) en Landmarks (2015), over taal en plaats. Ness verschijnt kort na Underland, A Journey in Deep Time (2019), vertaald als Benedenwereld, en zijn vijfde grote boek over landschap en de betekenis die de mens eraan geeft of aan ontleent. „Het is de relatie tussen materie en metafoor die me fascineert”, zei hij toen in een vraaggesprek met NRC.

Lees ook het interview met Robert Macfarlane: ‘Nu pas wordt ontdekt dat de aardkorst het grootste terra incognita is’

In Underland daalt hij letterlijk af, in grotten, grafkamers, militaire tunnels en mijnschachten, naar het web van schimmels dat de aarde omspant, en naar een opslagruimte voor nucleair afval, diep in de aardkorst, die letterlijk voor de eeuwigheid is bedoeld. Underland gaat over de ‘diepe tijd’, het duizelingwekkende verschiet van de geschiedenis van de planeet, waarin de evolutie van de mens verschrompelt tot een oogwenk. ‘De diepe tijd wordt bijgehouden door steen, ijs, stalactieten, sedimenten op de zeebodem en de drift van tektonische platen.’

De vijf krachten uit Ness zijn óók een manifestatie van deep time. ‘& ze hebben geen horloge nodig, want ze houden de tijd bij aan de hand van boomringen, stuifmeelkorrels en de vaste vervaltijd van koolstof-14 & uranium-235’. Vanuit de mens gezien staan ze stil, maar als je hún perspectief neemt, ‘komen de dingen tot leven’, schrijft hij in Underland. ‘Rots heeft een getij, bergen kennen eb en vloed, steen pulseert, we leven op een rusteloze aarde’.

De Nederlandse lezer denkt dan meteen aan Vasalis’ beroemde gedicht ‘Tijd’ – ‘[…]’k Zag de drang waarmee / de bomen zich uit de aarde wrongen/ terwijl ze hees en hortend zongen; / terwijl de jaargetijden vlogen / verkleurende als regenbogen… / Ik zag de tremor van de zee.’

Toegift-in-fictie

Ness met zijn gepersonifieerde natuurkrachten is een toegift-in-fictie bij Underland. Dat is nuttig en spannend. In Underland werpt Macfarlane een paar keer de vraag op of menselijke ideeën over goed en kwaad niet volslagen futiel zijn in het geologische perspectief van aeonen, sterker: alle leven is onbetekenend in het licht van de onvermijdelijke ondergang. Om er dan aan toe te voegen dat dit ons juist dwingt tot actie en niet tot apathie, en om onszelf te zien als deel van een weefsel dat miljoenen jaren teruggaat en – hopelijk – nog miljoen jaren heeft te bestaan. Daarom moeten we stilstaan bij wat we nalaten, proberen onszelf te vanuit die verre toekomst te zien en onszelf de vraag stellen: ‘Waren wij wel goede voorouders?

Die vraag drijft hij in Ness op de spits. Want in het Antropoceen is de mens niet alleen een speelbal van de elementen (zoals altijd), maar heeft hij het ook zelf in zijn macht de aarde permanent te veranderen, inclusief een voortijdig einde te maken aan de eigen soort.

Klimaatverandering, uitputting van natuurlijke hulpbronnen en de planeetwijde soortenmoord zijn een paar van die existentiële bedreigingen van eigen makelij. Maar omdat ze relatief langzaam gaan, en de mens evolutionair alleen gericht is op acute dreigingen, zijn ze ook nogal onzichtbaar. Maar dat geldt niet voor een nucleair conflict, waarop de kans met afbrokkelende wapenverdragen en assertievere grootmachten alleen maar toeneemt.

WE-177A is de naam van het wapen, een tandpastawitte bom met vier vinnen en het heeft echt bestaan. Als de Wapenmeester de sleutel omdraait begint hij de afvuurprocedure. En dan zingen ze wild en vals ‘Het afvuurlied’: ‘O blije schare pelgrims, kijk opwaarts naar het zwerk / Waar zoveel wordt gewonnen, met slechts zo weinig werk!’

Illustratie Stanley Donwood

Maar als de vijf natuurkrachten naderen verandert het licht in de Groene Kapel, verdringen zich eerst gierzwaluwen in de lucht erboven en begint er daarna mos te groeien op de aanwezigen en op de bom. Het ‘afvuurlied’ zingen zij nog steeds, maar het is ten slotte met hun laatste krachten, terwijl het haar van de Wapenmeester verandert in ‘adelaarsvaren’, zijn nagels ‘van ambersteen’ worden.

Door zijn betrekkelijk statische ‘plot’ en het steeds terugkerende ‘afvuurlied’ heeft dit boekje wel iets van een middeleeuws mirakelspel met zijn antifone gezangen. Dat zit hem ook in de (quasi-)oude taal die Macfarlane er af en toe in laat sluipen en zijn verwijzingen naar de mythen die de Ness vanouds omringen. Zoals die van de zeemeerman die ooit bij Orford werd gevangen, maar die niet wilde praten, ‘e’en when tortured & hung up by his feete’. Wat Nico Groen heerlijk vertaalt met ‘zelfs niet nae dat hy wierd gepynigt ende aen zyne voeten opgehangen’.

De vertaler heeft sowieso een meesterproef geleverd met de veelheid aan poëtische registers die Macfarlane opentrekt; het is een feest om de Engelse tekst naast de Nederlandse te lezen. Bijvoorbeeld: ‘Ness speaks gull […], speaks transmission, reception’; ‘Ness spreekt Meeuws […], Transmissisch, Ontvangstiaans.’ Ik weet niet welke versie ik mooier vind.

De Ness is een van God verlaten oord, waar decennia lang daadwerkelijk gewerkt is aan de Laatste Dag. Én het is een wondermooi gebied, met laag na laag aan betekenissen die Macfarlane beroert. De natuur heeft het laatste woord, en dat is natuurlijk altijd zo, maar hier – en dat is een optimistisch idee en ook een boodschap – is de mensheid er beter van geworden.