Langs de Noordzee spoelen steeds vaker bruinvissen aan

Tandwalvis Voor de Duitse en Deense kust spoelen vooral pasgeboren exemplaren aan. In Nederland vooral jonge mannetjes.

Sectie op een bruinvis bij de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht.
Sectie op een bruinvis bij de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht. Foto David van Dam

Het aantal aangespoelde bruinvissen langs de Noordzeestranden is de afgelopen drie decennia toegenomen. Sinds 1990 zijn er ruim 16.000 dode individuen geteld, schrijven biologen van de Universiteit Utrecht samen met internationale collega’s in Biological Conversation. Zeker sinds 2005 is er een flinke toename te zien, vooral in het zuidelijke Noordzeegebied, voor de kust van Nederland en België. In Nederland is het aantal gestrande bruinvissen het hoogst. Wat de stijging van het aantal strandingen veroorzaakt, is nog onduidelijk.

Bruinvissen (Phocoena phocoena) zijn de kleinste walvissen van de Noordzee. Ze hebben een donkerbruine of bruingrijze rug en een lichtgrijze of witte buik. Volwassen dieren zijn pakweg tussen de 130 en 180 centimeter groot.

Schuw en moeilijk te zien

Voor de aanleg van windmolenparken en boorplatforms is het belangrijk te weten waar bruinvissen voorkomen en hoe ze hun leefomgeving precies gebruiken. Maar hoeveel bruinvissen er precies in de Noordzee voorkomen, is lastig vast te stellen. De dieren zijn schuw, walvisachtigen zijn sowieso moeilijk te zien en ze kunnen bovendien grote afstanden afleggen. Het tellen van strandingen kan een waardevolle bron van informatie zijn.

Lees een reportage over de sectie op aangespoelde bruinvissen: Op de snijtafel: bruinviskalf nummer 1774 ontleed

Van begin 1990 tot eind 2017 zijn er 16.181 dode bruinvissen geteld. Opvallend genoeg strandden in het oostelijke deel van de Noordzee, voor de kust van Duitsland en Denemarken, hoofdzakelijk pasgeboren bruinvissen (met een lengte tot 90 centimeter). Dat duidt erop dat daar een ‘kraamregio’ aanwezig is. Veel jonge bruinvissen worden gevonden in maart of april, wanneer ze een maand of tien zijn. Dat is net het moment waarop ze weggaan bij hun moeder. Ook is de temperatuur van het zeewater dan het laagst. Veel jonge dieren stranden vermoedelijk door stress, onderkoeling en ondervoeding.

Riskante actieradius

In het zuidelijke deel, voor de kust van Nederland en België, spoelen opmerkelijk veel jonge mannetjes aan (90 tot 130 centimeter). Tussen 1990 en 2005 ging het in deze regio om in totaal zo’n 1.000 strandingen. Sinds 2005 zijn daar nog eens zo’n 5.000 strandingen bijgekomen.

Het hogere aantal mannetjesbruinvissen zou simpelweg verklaard kunnen worden doordat er meer mannelijke dieren worden geboren. Maar het kan ook zo zijn dat ze een grotere, riskantere actieradius hebben.

Het blijft lastig om de oorzaak van de strandingen te achterhalen. De toename kán betekenen dat de totale populatie is gegroeid. Tegelijk kunnen ook andere factoren een rol spelen, zoals ziekte of slecht weer. De onderzoekers houden ook rekening met een vertekend beeld: de nauwkeurigheid van de tellingen is door de jaren heen toegenomen. Daarnaast kunnen de kustgeomorfologie en de stroming de precieze plek van aanspoeling beïnvloeden: een fenomeen dat ‘karkasdrift’ wordt genoemd. Dat er zoveel strandingen zijn in Nederland, kan te maken hebben met de overheersende westenwind in combinatie met de aanwezigheid van meer dieren voor de kust.