‘Ik moest me invechten in mijn eigen groep, de Indo’s’

Over Indië De laatste Nederlandse ooggetuigen vertellen over het leven in de kolonie. Deze week: Marinus Maresch (Magelang, 1921).

Marinus Maresch: „Op school was ik een hybride figuur.”
Marinus Maresch: „Op school was ik een hybride figuur.” Foto Frank Ruiter

‘Ik ben in 1937 op 16-jarige leeftijd naar Nederland gestuurd, naar het Canisius College in Nijmegen. Toen nazi-Duitsland in augustus 1939 Polen binnenviel, riepen mijn ouders me terug. Er was een algehele mobilisatie van de strijdkrachten gaande. Ik kon met de hakken over de sloot in de trein komen. Treinen volgeladen met god mag weten wat, kanonnen, tanks, gingen allemaal naar het noorden. Ik moest naar het zuiden, naar Marseille. Daar kon ik de boot naar Indië nemen. Ik was alleen. Je leert voor jezelf zorgen.

Volgend jaar hoop ik 100 jaar te worden. Maar dat is wel een wonder. Ik heb dwangarbeid moeten verrichten voor de Jappen. In de Molukken en later in Vietnam. Ik heb zo veel geluk gehad. Dat is in mijn hele leven het belangrijkste geweest: dat ik vaak door het oog van de naald ben gekropen.

In Magelang ben ik opgegroeid. Een garnizoensplaatsje in Midden-Java. Mijn vader had een drukkerij, begonnen door mijn grootvader, een Tsjech. Die was erin geslaagd monopolist te worden voor al het militair drukwerk voor heel Indonesië.

Ik ging naar de mulo in Magelang. Er was een school met de bijbel. Maar daar zaten de totoks op, de blonde zoontjes van de vele officieren uit Nederland die daar woonden. De gouvernementsschool, waar ik op zat, was voor alle kinderen die Nederlands spraken. Ik moest doorleren na de mulo. Toen ik terugkwam uit Nederland toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, moest ik naar Bandoeng om daar mijn lyceumdiploma te halen. Daarna volgde de ambtenarenopleiding op de Rechtshogeschool in Batavia. Totdat Wilhelmina na de Japanse aanval op Pearl Harbour de oorlog verklaarde aan Japan.

Indië was een standenmaatschappij. Dus er was een streven om hogerop te komen. Ik hoorde tot de Europese groep, maar de moeder van mijn vader was Javaans en hij is als buitenechtelijk kind, zoals dat heet, erkend door mijn grootvader.

Uiteindelijk was ik op school ook een hybride figuur. Ik was een Indische jongen, dat kon je wel aan me zien, maar ik was een beetje blank. Dus ik moest me invechten in mijn eigen groep, van de Indo’s. In die maatschappij moest je altijd kijken, waar hoor je bij? Hierbij, daarbij, praat je petjoh? (taal van Indische Nederlanders, red.) Of versta je het niet? Ik wel, natuurlijk. En Bahasa Indonesia, en Javaans, maar ook Nederlands. Het was schakelen, schakelen tussen de verschillende lagen.

Nu heb je dat debat over racisme. Zelf ben ik gemengdbloedig als ik dat zo mag zeggen. Ik ben opgegroeid in een maatschappij van boven tot onder verdeeld in standen en klassen. Voel ik me nu een racist? Nee. Slavernij was er ook in Indonesië. Wordt niet over gesproken. Er waren rangen en standen gerelateerd aan kleur. Hoe blanker hoe beter. Indische meisjes moesten met zo blank mogelijke mannen trouwen want hoe blanker, des te makkelijker werden ze geaccepteerd. Wat weet de doorsnee Nederlander over Indië? Niets! Niets!

Ik ben na de oorlog afgestudeerd als indoloog, in Leiden. En tot eind 1962 bestuursambtenaar geweest in Nieuw-Guinea. In Nederland kon ik aan de Nijmeegse universiteit aan het werk.

Ik ben nooit meer teruggeweest in Indonesië. Dat is mijn land niet meer. Ik heb voldoende gezien. Ik hoef het niet te herhalen. Passé. Mijn kinderen hebben er wel behoefte aan. Ik heb ze mooie plaatsen gewezen. Het plateau van Dieng, de kraton van Yogya. Nee, maar voor de rest. So what?”