De train attendant wordt om de tuin geleid

schrijft op deze plek over haar ouders.

Afl. 6: ‘En nu draaien: naar links, nee, links vader. LINKS.’

Oud leven

Vaders scootmobiel was een halve meter breed en iets meer dan een meter lang, ruim onder het door Thalys vastgestelde maximum voor rolstoelen. Toch kreeg hij hem met geen mogelijkheid op de gereserveerde plaats gemanoeuvreerd. „Iets naar voren, vader”, zei ik.

„En nu draaien”, zei mijn zus Rinskje. „Naar links. Nee, links, vader. LINKS.”

Hij draaide naar rechts en kwam tot stilstand tegen het bagagerek. „Nou moe”, zei hij.

De stationsmedewerkster, die hem met de verrijdbare brug de trein in had geholpen, keek op haar horloge en zei dat de scootmobiel dan maar op het balkon moest blijven staan. „Het is verboden, maar dat lost de train attendant verder maar op.” Ze sprong het perron op en zwaaide naar ons. „Goede reis, lieve mensen. Fijne feestdagen.”

Vader moest van zijn scootmobiel stappen en naar zijn zitplaats zien te komen terwijl de trein reed. Halverwege begon hij te wankelen en alleen met de hulp van medepassagiers konden we voorkomen dat hij viel. „Mooi zo”, zei hij terwijl we hem in zijn stoel lieten zakken. „Ik zit. Jullie zien maar weer dat mensen altijd bereid zijn te helpen als ik onderweg ben.”

„Logisch”, zei Rinskje. „Ze zien een noodgeval.”

„U heeft geluk dat mijn baas er vandaag niet is”, zei de train attendant vlak voor Schiphol.

„Hoezo?” vroeg vader.

„Die had u er zonder pardon uitgezet.”

„O, nou, dan wil ik graag een kopje koffie. En iets lekkers erbij. Een cakeje of zo. Dat is toch inbegrepen?”

„Maar natuurlijk”, zei de train attendant. Hij legde een servet over vaders bovenbenen. „Had u anders nog iets gewenst, meneer?”

Daarna begon vader breed naar ons te grijnzen. „Hadden jullie door wat ik deed? Op het moment suprême leidde ik hem af. Ik vroeg hem om een kop koffie en toen” – hij verslikte zich bijna van het lachen – „vergat hij dat hij me uit de trein wilde zetten.”

Tussen Gare du Nord en Place de la Madeleine moesten we zesentwintig keer de straat oversteken. „Een beetje naar rechts sturen, vader, nee, naar rechts, RECHTS.” De drempel van de Ralph Laurenwinkel bleek een onneembare horde. Maar hij bleef zeggen dat het een geweldige grap was, hij in Parijs, met twee dochters en een kleinkind. Hij werd door twee verkopers en de bewaker naar binnen geholpen – „Bonjour messieurs, merci, merci” – en hij wilde graag een paar jassen passen. Na vijf jassen had hij er genoeg van. Ze waren hem te duur en bovendien zaten ze niet lekker.

’s Avonds bij de oesters in Bistro de Breteuil haalden we herinneringen op aan de laatste keer dat moeder mee naar Parijs was. „Die jas die ik voor oma had gekocht”, zei hij tegen zijn kleinkind Santje, „kostte tweeduizend en zeshonderdvijftig euro.”

„Hóéveel?” zei Santje. „En waar is die jas nu?”

„Ja”, zei vader tegen mij. „Wat heb je met die jas gedaan?”

Deze rubriek is gebaseerd op het boek Fresia’s voor mevrouw Brak dat vandaag verschijnt bij uitgeverij Van Oorschot.