Recensie

Recensie Boeken

Aan tafel bij dictators: ‘At Idi Amin echt mensenvlees?’

DictatorsDe Poolse journalist Witold Szablowski sprak met de voormalige koks van een aantal dictators om een antwoord te vinden op de vraag waarom er dictators zijn.

Fidel Castro en Antonio Nuñez Jiménez (r) in 1962, Cuba.
Fidel Castro en Antonio Nuñez Jiménez (r) in 1962, Cuba. Foto Gilberto Ante

Een van zijn voorgangers pleegde zelfmoord. Een ander was op een dag spoorloos verdwenen. En hij? Hij was altijd bang, vertelt meneer K., die jarenlang werkte als kok voor de Albanese leider Enver Hoxha. Meneer K, die zo wordt aangeduid omdat hij niet elke dag ‘wil hoeven uitleggen waar hij werkte toen de mensen in Albanië omkwamen van de honger’, zegt: ‘Al het personeel was bang dat Enver op een dag wakker zou worden met een slecht humeur en dan opdracht zou geven ons naar een kamp te sturen of te doden.’

Meneer K. is één van de koks die aan het woord komen in Aan tafel bij dictators van de Poolse journalist Witold Szablowski (1980). Voor dat boek sprak hij ook met de voormalige chefs van Saddam Hoessein, Idi Amin, Pol Pot en Fidel Castro. Het kostte moeite hen over te halen tot een gesprek, schrijft hij. ‘Sommigen hadden zich nog steeds niet verlost van het trauma om te werken voor iemand die hen elk moment kon ombrengen.’ Maar het was de moeite waard, stelt Szablowski. ‘Dankzij de gesprekken met de koks heb ik begrepen hoe het komt dat er op de wereld dictators zijn.’

Verwacht geen recepten die je doen watertanden. Ja, de koks geven wel iets van hun keukengeheimen prijs, maar de culinaire voorkeuren van de dictators in kwestie blijken niet zo bijzonder. Vooral lokale gerechten vallen in de smaak. Als meneer K. zag dat Hoxha humeurig was dan maakte hij iets uit Gjirokastër, de stad waar hij geboren was. Of een toetje. Van zijn artsen mocht Hoxha geen suiker, vandaar dat meneer K. volop experimenteerde met zoetstoffen. Saddam Hoessein kon je blij maken met masgoef, ‘zijn lievelingsvis, die je alleen in Irak vindt’.

Een uitzondering was Milton Obote, de voorganger van Idi Amin als leider van Oeganda (die zelf ook wel wat dictatoriale trekken had). Otonde Odera, die werkte voor beiden, vertelt dat Obote dol was op malakwang, een pittige groente, met sesam, granaatappelpasta, pinda’s en andere gekookte groenten. Maar het liefst at hij Britse gerechten. ‘Grappig, vind je niet?’, zegt Otonde Odera, die in de koloniale tijd had leren koken bij een Brits echtpaar. ‘Een zwarte premier neemt een zwarte kok in dienst, maar wel een die kan koken zoals voor de blanken.’

Als Idi Amin met geweld de macht overneemt van Obote, vreest ook Otonde Odera voor zijn leven. Hij zorgt ervoor dat het eten – tilapia en pilav van geitenvlees – klaar staat als de nieuwe leiders hun intrek nemen in het presidentiële paleis. Want, redeneert hij, mensen die een putsch plegen ‘komen met lege magen en zolang je iets lekker voor hen gekookt hebt, is er een kans dat ze je niet vermoorden’.

Otonde Odera blijft niet alleen leven, hij wordt ook de kok van Idi Amin. Witold Szablowski wil hem daarom heel graag vragen: wat is er waar van het verhaal dat Idi Amin mensenvlees at? ‘Zou Odera dat voor hem hebben bereid? Hoe maakte hij dat klaar? Wat diende hij daarbij op?’ Zorgvuldig bouwt de schrijver de spanning op. Maar het antwoord van de kok ontnuchtert. Idi Amin een kannibaal? ‘Ik zweer je dat ik zoiets niet gezien heb.’

Witold Szablowski is een goede schrijver. En via de verhalen van de koks leer je ook iets over de betreffende landen en het leven in een dictatuur. Zo heeft meneer K. geen idee waarom hij kok werd. Eigenlijk wilde hij monteur worden. Maar de Partij besliste anders.

Lees ook: Antropoloog Richard Wrangham: ‘In potentie zijn we allemaal kleine dictators’

Leuk om te lezen allemaal. Maar een antwoord op de vraag waarom er dictators op de wereld zijn, blijft Witold Szablowski de lezer schuldig.

Sommige koks hebben zich afgewend van hun ex-baas, andere zijn hem nog steeds trouw. Flores, een voormalige kok van Castro, vertelt hoe hij kreeft klaarmaakte voor el commandante: je snijdt de kreeft open, doet het vlees op de grill en besprenkelt het met limoensap. ‘Zo’n heel eenvoudig maal smaakt hem het beste, ik heb dat gister nog voor hem gemaakt.’ (Castro leeft nog als Witold Szablowski de kok interviewt). En Yong Moeun, de kokkin van Pol Pot, maakt ná zijn dood nog zijn favoriete middageten: zoetzure soep met ananas en chilipeper en gebakken kip. Samen met Mea Som, zijn tweede vrouw, brengt ze de maaltijd naar de plek waar hij is verbrand. ‘De mensen in Cambodja geloven dat iemands geest gevoed moet worden om naar de volgende incarnatie te gaan.’