Op de pof drinken, daar is de baas nu wat strenger op

Rotterdams café In De Koperen Toog in Rotterdam doet afkomst er niet toe, iedereen is welkom voor een drankje. Maar als bardame Eurema haar wenkbrauw optrekt, is er wat aan de hand.

Stamgasten in De Koperen Toog, met helemaal links eigenaar Dogan Korkmaz.
Stamgasten in De Koperen Toog, met helemaal links eigenaar Dogan Korkmaz. Foto Martijn Beekman

Clyde (44) gaat bij de Surinaamse winkel aan de overkant pejeh halen. „Pejeh! Ken je dat niet? Het is Javaans. Hier, proef dan.” Je kunt het ook zelf maken. Clyde doet het vaak. Beslag maken van rijstmeel met kokosmelk en een beetje garnalenpasta. Pinda’s roosteren en erbij doen. Let op dat je het beslag via de ránd van de wok in de olie laat lopen. En dan krijg je dit: chipsachtige pindakoekjes.

We zijn in De Koperen Toog, Rotterdam-West. In dit café komt iedereen die er zin in heeft. Vooral buurtbewoners. De een komt ’s morgens om tien uur voor een kop koffie. De ander na het werk voor een pilsje. En weer een ander komt ’s avonds en blijft tot sluitingstijd. En dat ze in een café zitten, gaat niemand wat aan. Daarom willen ze, behalve de eigenaar, bij hun voornaam genoemd worden.

In De Koperen Toog komen witte Rotterdammers, vaak nog in werkkleding. Zoals postbode Jacob (49), die Johny wordt genoemd. Met luide stem vertelt hij wat hij die dag meemaakte op straat. En Mano (48) die eigenlijk Manolito heet en schilder is. Mano komt soms na het werk in schilderskleding een pilsje halen. Tijdens de lockdown had hij even minder werk en heeft hij de toog opnieuw gebeitst. Die kun je nu al door de ruit zien glimmen.

Er komen ook veel Surinaamse, Antilliaanse en Kaapverdiaanse Nederlanders. Turkse Nederlanders komen er graag. Eigenaar Dogan Korkmaz (55), van Turkse afkomst, werkt al sinds zijn twintigste in het nachtleven; half Rotterdam-West kent hem. Soms zit een Pools stelletje aan de bar. „We mixen hier lekker”, roept Jacob vanaf de barkruk. „Er is hier eigenlijk niemand zuiver Hollands. Net als de wijk.”

Jacob is trots op Rotterdam-West, de wijk waar hij al decennialang woont. Slimme jonge ondernemers richten zich niet op „de eigen groep” maar trekken een breed publiek. „Ik haal nu ook groente bij de Marokkaanse winkel.” Hij kijkt triomfantelijk. „En kijk naar halalrestaurants, dat is al lang niet meer alleen shoarma. Je kunt hier álles halal krijgen.”

Marokkaanse Nederlanders komen soms naar De Koperen Toog, maar als ze shisha willen roken gaan ze naar de overkant. Daar zitten jonge Marokkaanse Nederlanders twee aan twee aan een tafeltje. Zoete dampen uit de waterpijpen waaien de straat over. Dat zij daar op de stoep mogen zitten, is trouwens een pijnlijk punt in de corona-maanden. Als de bezoekers van De Koperen Toog buiten staan te roken, krijgt Korkmaz wél een waarschuwing van de wijkagent. Het komt, zegt hij, omdat de shisharokers nauwelijks geluid maken. Bovendien zitten ze rustig op hun stoel en komen er niet af.

En het moet gezegd, de Tooggasten willen buiten nogal eens luid praten of lachen. En ze geinen met voorbijgangers. Vandaag gaat het over het coronavaccin, áls dat er komt.

„Ik ga het niet nemen hoor. Normaal wordt dat jááááárenlang getest en nu zou dat in een jaartje gepiept zijn.”

„Ik neem het wel hoor.”

„Wanneer gaan we weer leven zoals we willen leven?”

„Ik zeg altijd maar, we gaan allemaal dood.”

„Ja, dat sowieso. Maar wanneer?”

„Je moet geen paniek zaaien.”

„Paniek, ik? Ik ben zo relaxed als maar kan. Als iedereen maar zijn handen wast.”

Dan stuurt Korkmaz een van zijn bardames om ze naar binnen te roepen. „Want naar hen luisteren ze. Naar mij niet.”

Eén klap op de bar

Korkmaz is gezegend met zijn bardames. Gelukkig maar, want De Koperen Toog is al om tien uur in de ochtend open, en sluit pas om één uur in de nacht, in het weekend later. Korkmaz is er in de ochtend en regelt de administratie en de drankvoorraad. ’s Middags gaat hij naar huis voor een dutje en om te eten. ’s Avonds is hij er weer tot ‘sluit’. Dan moet je het hebben van je personeel.

Neem de ongenaakbare en prachtige Euremia (33). Als er woorden zijn aan de bar, dan trekt ze een wenkbrauw omhoog en kijkt streng. Is het dan nog niet klaar, dan slaat ze één keer met vlakke hand op de bar. De bruinharige, rustige Berlinda (54) luistert geduldig naar iedereen. Ze knikt en antwoordt, luistert en antwoordt weer. De blonde en springerige Cynthia (44) maakt grapjes met de gasten. Zij runnen het café als Korkmaz er niet is. En trouwens ook als hij er wel is.

De barvrouwen Berlinda en Euremia.

Foto Martijn Beekman

Cynthia staat vandaag in een blauwwit jurkje achter de bar. Ze is op haar vijftiende begonnen met werken en werkt al bijna dertig jaar in de horeca. Kort werkte ze op een kantoor, daar werd ze doodongelukkig. Achter de bar heeft ze contact met verschillende mensen. Ze vindt De Koperen Toog een van de fijnste plekken om te werken. „Mensen lopen langs, kijken naar binnen en zien best veel donkere gezichten. Dan schrikken ze. Maar dat is niet nodig. We hebben hier eigenlijk nooit ellende.”

Af en toe controleert de politie op drugs. De afgelopen maanden werden de bezoekers op drie momenten gefouilleerd. Er zou mogelijk gedeald worden. Er werd drie keer niets gevonden.

Ria, vanaf een barkruk: „Hier in de buurt wordt wel gedeald, echt niet normaal meer.” Ze is ook erg anti, zegt ze, ze raakte haar eerste man kwijt aan een drugsverslaving. Dat is ook de reden dat ze niet meer in deze buurt wil wonen. Maar haar huidige vriend woont er en in dit café komen ze samen graag. Als ze zag dat hier gedeald werd, was ze meteen weg.

Het enige waar je hier op moet letten, zijn klanten die te veel drinken, zegt Cynthia. „Maar als je achter de bar staat, heb je dat snel door. Die hou je in de gaten.”

De ideale werkers zijn alcoholisten, zegt Mano. „Mijn oom moest altijd zes biertjes drinken voor hij plavuizen kon leggen.”

Corona kostte veel omzet

Een nieuwe gast komt binnen. Het is ‘de Koerd’, hij bestelt een whisky. Niemand had geweten dat hij Koerdisch is als hij bij zijn vorige bezoek niet zo uitgebreid over zijn afkomst had verteld én daarna was vertrokken zonder zijn whisky’s te betalen. Ga je de rekening van vorige week betalen, vraagt Korkmaz. „Later”, zegt de Koerd. „Ik betaal vandaag alleen wat ik vandaag drink.”

Korkmaz schudt zijn hoofd. Hij was nooit lastig met op de pof drinken, veel van zijn klanten hebben het niet breed. Maar hij is recentelijk strenger geworden. De meesten betaalden uiteindelijk wel maar niet iedereen. „En het is onaangenaam om met een rekening achter iemand aan te leuren”, zegt hij. „Bovendien, die coronamaanden hebben fiks omzet gekost.”

Er is hier eigenlijk niemand zuiver Hollands. Net als de wijk

Jacob (49), vanaf de barkruk

De snorder parkeert zijn witte Opeltje met rode bekleding schuin op de stoep. Voor een derde van de officiële taxiprijs brengt hij je waar je maar wil in Rotterdam. Daarbuiten ook. We laten zijn naam in het midden, want anders krijgt hij gezeik. Nu komt hij wat drinken. Toen er nog karaoke was – voor corona – zong hij een Turks lied over twee mannen die van één vrouw houden. Korkmaz zoekt de muziek op YouTube, en de snorder zingt het mee. Zijn mobiel houdt hij als een microfoon voor zijn mond.

Clyde was ook een gewaardeerd karaoke-zanger. Hij zong Safri Duo (‘Twilight’). Wil je horen? Hij zoekt op zijn telefoon naar het filmpje. We zien hoe hij al zingend door het café wandelt. „Dat was zo mooi”, zucht hij.

Foto Martijn Beekman

Cynthia rookt buiten een sigaret. Ze is klaar met haar dienst. Wat ze gaat doen? Op de bank liggen. Stappen doet ze al een tijdje niet meer.

Euremia neemt het over, zij staat achter de bar tot sluit. Aan de bar zitten haar vriendinnen; Linda (70) en Nicole (38). Linda woont in de wijk Oosterflank. Daar zijn geen gezellige cafés. Nicole werkt in de thuiszorg maar voert nu corona-tests uit voor de GGD. Ze is voorzichtig met cafébezoek maar gaat af en toe wat drinken. Ze had zich verheugd op een zomer in Suriname, ze was er al een paar jaar niet meer geweest. Maar dat kan niet doorgaan, vanwege corona. „Je moet af en toe onder de mensen zijn, om lekker te ontspannen.”

Clyde maakt soms Surinaamse eend en neemt dat mee naar het café. Nu gaat hij naar huis en zegt: „Als het voorbij is met de corona, doe ik dat weer. Beloofd!” Want „Surinaamse eend is zóóó lekker. Wel scherp, maar ‘peper is life’. Nou, oké, voor jou zal ik het minder scherp maken.”