Hé, daar zwemt een oranje-blauw geraamte

Dierennieuws In Nederland leek de kieuwpootkreeft uitgestorven. Maar het filterdier is onlangs aangetroffen in Brabant.

Het oranje-blauw zwemmend geraamte leeft weer! In de leembossen van het Brabantse Groene Woud hebben biologen een groot aantal van deze zeldzame kieuwpootkreeften aangetroffen. In Nederland is de soort zo zeldzaam dat ze zelfs een poosje uitgestorven is verondersteld. Onderzoekers maakten de vondst van de Brabantse populatie onlangs bekend in het vakblad Faunistische Mededelingen Nederland, natuursite Nature Today gaf er bredere bekendheid aan.

Kieuwprootkreeften zijn filterdieren. Zwemmend op hun rug wuiven ze voedsel als sieralg, kiezelwier en platworm-ei richting hun mond met de kieuwen aan buikzijde. Op hun buik zwemmen ze niet – tenzij in een aquarium het licht van onder komt.

Kieuwpootkreeften komen vaak voor in poelen die in de zomer droogvallen – de eitjes overleven droge periodes. Het leven in een tijdelijke poel heeft als voordeel dat er maar weinig roofdieren zoals vissen en grote waterinsecten voorkomen.

Het oranje-blauw zwemmend geraamte, of Eubranchipus grubii, is met een lengte van 2 à 3,5 centimeter aan de forse kant voor een kieuwpootkreeft. Het zijn de vrouwtjes die de oranje-blauwe kleur dragen waaraan de diertjes hun Nederlandse naam aan danken. Het oranje komt van hemoglobine, het blauw van hemocyanine, beide zuurstofdragende eiwitten.

Het exemplaar op de foto is ‘zwanger’ van een eierpakket. Het viel de onderzoekers op dat die eieren voortdurend heen en weer kantelen, zo’n 90 keer per minuut. Dat is ook gefilmd.

De onderzoekers troffen de kieuwpootkreeften vooral aan in de leembossen van het Groene Woud, in de driehoek tussen Tilburg, Den Bosch en Eindhoven. De kreefjes hielden zich schuil in rabatten, een speciaal type sloten dat in de 18de eeuw werd aangelegd om natte gronden te ontwateren. Ze zijn vaak evenwijdig aan elkaar gegraven. In de winter staat er water in, ’s zomers vallen ze droog.

Het kreeftje voelt zich thuis bij specifieke omstandigheden: sloten die in de schaduw staan en waarvan het water dieper komt dan 40, maar niet dieper dan 100 centimeter. 95 procent van de gevonden dieren zat in zulke sloten. De overige vijf procent in kleine poelen die in contact stonden met de sloten.

De bodem van de rabatsloten bestaat vaak uit leem. Dat leem buffert de zuurgraad van het water. In droge dennenbossen of in sloten op zandgrond komt het diertje niet voor.