Analyse

Virus waart vaak rond in kleine kring

Coronacijfers De huidige opleving van het coronavirus komt vooral door veel kleine besmettingshaarden. Driekwart van de clusters is verbonden met thuis, een borrel of het werk.

De coronaclusters komen nu het meest voor in thuissituaties.
De coronaclusters komen nu het meest voor in thuissituaties. Foto Jerry Lampen/ANP

Het beeld van de huidige opleving van het coronavirus wordt gekleurd door grote uitbraken als die rond een camping op Terschelling en een moskee in Bergen op Zoom. In werkelijkheid zijn de meeste besmettingshaarden niet spectaculair. Driekwart van de zogeheten clusters, een groep mensen die waarschijnlijk door een en dezelfde persoon zijn besmet, telt namelijk maar drie tot vijf personen.

Dit blijkt uit gegevens die het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft verstrekt aan NRC. Die bevestigen het beeld van eerder gepubliceerde RIVM-cijfers, namelijk dat Nederland vooral veel kleine besmettingshaarden dicht bij huis telt. Driekwart van de 333 clusters die tot begin vorige week zijn gevonden, is verbonden met thuis, een borrel of het werk.

Vooral de eigen haard is op dit moment dé besmettingshaard, goed voor 40 procent van de ‘coronaclusters’. Gemiddeld zitten in de thuisclusters zo’n vier besmette personen, maar er is er ook een gevonden met vijftien personen – wat beelden oproept van een familiediner.

Zo’n thuiscluster kan weer nieuwe clusters scheppen, waarschuwde Jaap van Dissel, directeur infectieziekten bij het RIVM, vorige week dinsdag bij de technische briefing in de Tweede Kamer: „Iemand die thuis besmet is geraakt, besmet vervolgens op het werk weer anderen.” Hij voegde eraan toe: „Je wilt dat er een stop komt op de feestjes thuis.” Hoe groot de noodzaak is van zo’n stop, zal deze dinsdag blijken als het RIVM nieuwe cijfers publiceert.

Lees hier over de oproep van Jaap van Dissel om je veel sneller te laten testen

De ‘coronaclusters’ komen in beeld bij de bron- en contactonderzoeken door de vijfentwintig regionale GGD’s. Medewerkers proberen met interviews te achterhalen met wie een besmet persoon allemaal in aanraking is gekomen. Om vervolgens iedere betrokkene te bellen en idealiter te testen en in thuisquarantaine te laten gaan. Dit is dé aanpak om besmettingshaarden te laten uitdoven en uiteindelijk het virus weer onder controle te krijgen.

Maar een handdruk verwijderd

Dat het bron- en contactonderzoek vooralsnog zo moeizaam verloopt, heeft onder meer te maken met de omvang van het sociale web van mensen. Weinigen zullen tot voor kort hebben beseft dat ze niet alleen zijn verbonden met gezinsleden, vrienden, buren en kennissen maar ook met medebezoekers van cafés, barbecues en feestjes. Iedereen is maar enkele handdrukken verwijderd van de rest van de mensheid, luidde het adagium toen je nog handen mocht schudden. Iedereen is maar een paar contacten verwijderd van een besmet persoon, luidt het adagium nu.

Zo kan het gebeuren dat GGD-medewerkers soms contactenlijsten met wel honderd personen moeten afwerken. Daarvoor hoeft iemand maar een paar avonden achter elkaar naar de kroeg te zijn gegaan, of een bruiloft te hebben bezocht. „In het laatste geval moet je aan de slag met de gastenlijst van de trouwerij, die het bruidspaar doorgaans bereidwillig verstrekt”, vertelde directeur Nicolette Rigter van de GGD Utrecht bij dezelfde technische briefing. Het bellen en ondervragen van al die gasten of cafébezoekers is zo tijdrovend, dat in Amsterdam en Rotterdam niet iedereen meer wordt nagebeld. De omvang van het sociale web van mensen – vol dikke en dunne draden – zou zo mede verklaren waardoor het bron- en contactonderzoek zo moeizaam verloopt.

De overvloed aan hele en halve ontmoetingen draagt ook bij aan het ontstaan van enkele grote ‘coronaclusters’ rond bijvoorbeeld de kroeg (maximaal 31 mensen), een fuif (34), het werk (40) en het verpleeghuis (43). Toch zijn die grote clusters nog betrekkelijk schaars. Een op de vijftig clusters telt tussen de twintig en dertig personen, en slechts een op de honderd telt er meer (maximaal 43). Het merendeel, drie op de vier, telt maximaal vijf personen.

De grote pijn lijkt te zitten in de kleine honderd clusters, die 6 tot 20 mensen tellen. Ze beslaan grofweg een kwart van de clusters en zeker als de bellijst twintig namen bevat zullen ze aardig vertakt zijn door de sociale netwerken. Deze middelgrote coronaclusters laten net als de kleine clusters zien dat Nederlanders na het loslaten van de ‘intelligente lockdown’ in juni weer veel meer mensen zijn gaan zien.

Leven in een sociale bubbel

België, waar het virus heftiger opleeft dan in Nederland, heeft het sociale verkeer sinds 1 augustus weer aan banden gelegd. Belgen moeten nu leven in een ‘bubbel’, waarbij elk gezin maximaal vijf buitenstaanders mag ontmoeten – kinderen tot 12 jaar niet meegerekend. „Want met elk contact dat je vermijdt, knip je een draadje door waarlangs het virus zich kan verspreiden”, legt de Belgische viroloog Marc Van Ranst (Katholieke Universiteit Leuven) uit.

Lees ook: Wat contactonderzoekers leren van ebola en Covid-19-modellen

Zou het instellen van een bubbel nuttig zijn voor Nederland? „Het kan, maar het hoeft niet. In feite zeg je als overheid tegen burgers: beperk je sociale contacten. Dat kan je doen met een bubbel, maar ook op andere manieren”, zegt Van Ranst. „De bubbel is een manier om burgers effectief te sensibiliseren, net als een mondkapje. Je zegt ermee: oppassen!” Is dat genoeg? „Uiteindelijk wel. In alle landen verlopen de bron- en contactonderzoeken moeizaam, behalve in sommige Aziatische landen waar ze methoden hanteren die wij niet willen. En natuurlijk zijn er mensen die zich niet aan de aanbevelingen houden. Maar het merendeel van de mensen in België – en ook Nederland – doet ongelooflijk zijn best om zich wel aan de regels te houden. Ik ben er daarom van overtuigd dat we het virus eronder gaan krijgen.”