Opinie

Veel pret in het park

Frits Abrahams

Alsof we dezer dagen nog niet genoeg met onze sterfelijkheid geconfronteerd werden, stond bij een ingang van het Amsterdamse Westerpark een reusachtige, hoogbejaarde iep te treuren.

Hij droeg een lint om zijn bast met de aankondiging dat hij binnenkort „conform het iepenprotocol van de gemeente Amsterdam” geruimd zou worden. Iepziekte. Hij kon andere iepen besmetten.

Om enkele redenen zag ik er aanzienlijk meer symboliek in dan ik een half jaar eerder gezien zou hebben. Om met de minst belangrijke reden te beginnen: de voorafgaande avond was ik op tv getuige geweest van het einde van een voetbaltijdperk, gedomineerd door FC Barcelona, dat het schitterendste voetbal speelde dat we ooit hebben gezien.

Dat FC Barcelona bestaat niet meer. Het werd met 8-2 vernederd door Bayern München. Voor topvoetbal volstaan techniek en inzicht niet langer; atletisch vermogen en kracht zijn minstens zo belangrijk geworden. FC Barcelona was verworden tot een oude, stramme iep die zichzelf in de weg stond.

Met die iep in het Westerpark had ik meer medelijden dan met FC Barcelona. Een club die na een jaar nog niet weet waar Frenkie de Jong moet worden opgesteld, verdient geen beter lot. Maar die iep kon er niets aan doen dat hij besmet was geraakt en nu zelf besmettelijk dreigde te worden. Hij had meer iets van een oude man of vrouw, die tegen wil en dank met het coronavirus was besmet en ten dode opgeschreven leek.

Wat het voor deze iep nog veel schrijnender maakte, waren de taferelen die zich in zijn directe nabijheid afspeelden. Nog geen tien meter van hem vandaan hadden zich rond geïmproviseerde tafeltjes in het gras enkele tientallen mannen in de leeftijdsklasse van dertig tot vijftig verzameld. In de onbedaarlijke hitte stonden ze gemoedelijk met elkaar te praten en te drinken. Op de achtergrond hield een team van professionals zich ijverig met de catering bezig. Anderhalve meter afstand? Hallo zeg, neem er nog eentje.

Toen ik doorliep zag ik op het water langs het park een bootje dobberen met tien op elkaar gepakte joelende mensen, die gezamenlijk over boord zouden vallen als ook maar één persoon over de noodzaak van die anderhalve meter zou beginnen te zeuren. Ze hadden overigens reuze veel plezier met elkaar, en dat is ook iets waard.

Ik was nog niet op hen uitgekeken, toen alweer een ander tafereel mijn aandacht opeiste. In het gras langs een van de hoofdpaden lagen ongeveer vijftien jonge mensen in de zon te doezelen of te slapen. Ze lagen dicht tegen elkaar aan, alsof ze een of andere sekte vormden en gezamenlijk beschutting zochten tegen een voor gewone stervelingen onzichtbaar gevaar.

Het had iets hartverwarmends kunnen hebben, al die roesverwekkende gemoedelijkheid en gezelligheid, en dat had het ongetwijfeld ook voor de betrokkenen, maar als buitenstaander keek je ernaar als een nuchtere Grunneger, die door een onbegrijpelijk misverstand op het carnaval van Venlo was beland.

Ik moest onwillekeurig even aan onze bezorgde premier denken, aan de ontembare Hugo de Jonge, de voorzichtige Jaap van Dissel, aan Diederik Gommers en al die naamloze mensen in de zorg die zich uit de naad werken om ons voor het allerergste te behoeden. Het was alsof er en masse tegen hen geroepen werd: „Je kunt de boom in.”