Presentatie van een Nederlandse start-up tijdens de Hannover Messe in 2018. De groep wil investeren in techbedrijven in de seed-fase, waarin nog niet veel aan winst wordt gedacht.

Foto Vincent Jannink/ANP

Interview

Jelle Prins: ‘We willen techondernemers die investeren. Niet huisjesmelken’

Jelle Prins | Techinvesteerder Een nieuwe groep ervaren ondernemers investeert gezamenlijk in technologiebedrijven. „In Silicon Valley is het gebruikelijk dat succesvolle oprichters aan de slag gaan met de volgende generatie techbedrijven. Die cultuur ontbreekt in Nederland.”

Een groep ervaren Nederlandse techondernemers gaat de komende tijd onder de naam ‘Operator Exchange’ gezamenlijk honderdduizenden euro’s in jonge technologiebedrijven investeren. Dat maken investeerders Jelle Prins (ex-Uber), Micha Hernandez van Leuffen (ex-Oracle, softwarebedrijf), Robert Gaal (ex-Google) en Stef van Grieken (ex-Google X, het innovatielab van Google) dinsdag bekend.

Het gaat om in totaal vijftien Nederlandse ondernemers die hebben gewerkt bij grote techbedrijven als Uber, Google of Facebook of zelf een bedrijf hebben opgericht en verkocht. Het geld dat ze hiermee hebben verdiend, wil de groep nu inzetten om te investeren in techbedrijven in de seed-fase: het stadium waarin bedrijven nog druk bezig zijn een goed idee naar een product te vertalen en nog niet te veel denken aan omzet en winst.

Investeringsfondsen die zich richten op snelgroeiende, jonge ondernemingen – venture capitalists – zijn er in drie categorieën: professionele investeringsfondsen die bijvoorbeeld geld van pensioenfondsen beleggen, bedrijfsfondsen zoals ING Ventures of Unilever Ventures, en angel investeerders. Dat zijn rijke particulieren die zelf jonge bedrijven opzoeken en kapitaal verschaffen in ruil voor aandelen. Een netwerk zoals Operator Exchange, waarbij een groep ervaren particulieren zich verenigt, is in Nederland niet gebruikelijk.

Mede-oprichter Jelle Prins kreeg het idee voor Operator Exchange ongeveer een jaar geleden, vertelt hij aan de telefoon. Prins vertrok eerder dit jaar bij Uber, waar hij de internationale afdeling in Amsterdam leidde die verantwoordelijk is voor app-ontwikkeling. Momenteel is hij verantwoordelijk voor de werkgroep die de corona-app van de Rijksoverheid ontwikkelt. Hij staat in de techwereld bekend om zijn uitstekende netwerk.

„Ik zat bij een pitch van een traditioneel fonds dat geld aan het ophalen was”, vertelt Prins. „Ongetwijfeld slimme mensen, maar ik dacht wel: als ik zelf als ondernemer geld wil ophalen, zou ik dat dan hier doen? Of liever bij een investeerder die de afgelopen tien jaar zelf een bedrijf heeft opgericht? Die mensen zijn er, maar je moet ze maar kennen.”

Dus je zocht een groep bij elkaar?

„We zijn eerst een chatgroep gestart met ondernemers die seed-investeringen doen. Daar delen we pitches van bedrijven die we interessant vinden. Iedereen die geïnteresseerd is in een investering kan zich opgeven en meedoen. Dat gaat meestal om zo’n 50.000 euro per persoon.”

In Silicon Valley gebeurt het veel meer dat oprichters een bedrijf verkopen en in nieuwe bedrijven investeren. Waarom is dat hier zo lastig?

„Ik weet het niet. In Silicon Valley is het gebruikelijk dat succesvolle oprichters aan de slag gaan met de volgende generatie techbedrijven. Door hun kennis te delen, netwerk te introduceren en geld te investeren. Die cultuur ontbreekt in Nederland, en dat willen wij veranderen. Dat is hard nodig, want nog steeds komt ruim 80 procent van de miljardenbedrijven uit de VS en China. We willen een land waar ervaren techondernemers de cultuur verder helpen en niet gaan huisjesmelken.”

Lees ook deze achtergrond: ‘Investeringen in jonge techbedrijven gestegen, ondanks coronacrisis’

Oprichters van grote Nederlandse techbedrijven als Pieter van der Does (Adyen) en Jitse Groen (Just Eat Takeaway) zijn allebei miljardair, maar investeren niet in start-ups. Ze hebben er geen tijd voor of zeggen er niet goed in te zijn.

„Ik vind het jammer dat Jitse en Pieter dit niet doen. Ze hebben een schat aan ervaring die ze kunnen overdragen op die manier. En zo risicovol is het niet. Als Jitse 1 procent van z’n vermogen [naar schatting 1,4 miljard euro] zou investeren, kan hij honderden start-ups helpen. Gelukkig zie ik genoeg ondernemers die er waarde in zien om op die manier iets terug te geven aan de gemeenschap.”

Zijn Nederlandse investeerders risicomijdend?

„Zeker. Er zijn start-ups die me vertellen: een investeerder vroeg me om een tienjarenplan. Of investeerders die zeggen: laat eerst maar eens zien dat je klanten hebt en kom dan maar bij ons terug. Dan begrijp je niet hoe het werkt. Een start-up moet nog uitzoeken waar de markt precies ligt. Die investeerders zijn op zoek naar iets anders.”

Als je investeert moet je je realiseren dat het meestal fout gaat

Een veilige belegging?

„Ja, maar als je investeert moet je je realiseren dat het meestal fout gaat. Je moet het hebben van de start-ups die heel hard groeien. Dat is er één op de tien, vijftig of honderd, afhankelijk van hoe goed je bent. Door een groep bij elkaar te zetten hoop je dat je meer deals ziet en de kans vergroot dat je de goeie eruit pikt.”

Hoe kiezen jullie een investering?

„Een bedrijf moet goede oprichters hebben en een idee dat aanspreekt. Belangrijk is dat we als investeerder een toegevoegde waarde hebben. Kunnen we helpen? Deze groep doet het echt primair omdat ze er zelf plezier uit halen. Als je geld wil verdienen kun je het ook naar Vanguard [een groot Amerikaans investeringsfonds] brengen en achterover leunen. Hartstikke saai.”

Jullie groep is nogal homogeen. Bijna allemaal mannen, zoals vaker bij investeerders. Is dat geen risico?

„We hebben inderdaad maar twee vrouwen in onze groep. Ik durf niet te zeggen of er nou minder vrouwelijke investeerders zijn, of dat ik in een verdomde bubbel zit met mijn netwerk. Maar het is mijn taak om het netwerk diverser te maken: fifty-fifty als het om man-vrouw-verhoudingen gaat. Bij Uber was mijn designteam voor de helft vrouw en je ziet dat een groep dan als geheel beter presteert.”