Dansers met mondkapjes vieren zaterdag het 75-jarig jubileum van de onafhankelijkheid van Indonesië.

Foto Adek Berry

Interview

‘Indonesiërs wilden geen bezetter meer’

Truus Iswarni Sardjono Voor de Indonesische oud-spion Truus Iswarni Sardjono is 17 augustus, de dag dat haar land 75 jaar geleden de onafhankelijkheid uitriep, „een heilige dag”.

Haar voornaam vinden Indonesiërs lastig: Truus. Die lange uu bestaat niet in het Indonesisch. Teroes, wordt het dus vaak. Toch heeft ze nooit overwogen om haar naam te veranderen: „Absoluut niet, die heb ik van mijn oude vader gekregen.”

Truus Iswarni Sardjon

Foto Annemarie Kas

Truus Iswarni Sardjono is 92 jaar en ze vertelt nog graag over haar strijd voor een onafhankelijk Indonesië. „Merdeka atau mati, onafhankelijkheid of dood. Dat was ons motto.” Haar medailles bewaart ze in een doosje, tot ze die op bijzondere dagen weer kan opspelden. Ze heeft er nogal wat: ze kreeg onder meer de hoogste onderscheiding voor haar werk als spion en guerrillastrijder. Truus is niet voor niets te gast in Indonesische talkshows als het over de onafhankelijkheid gaat. Ze vertelt haar anekdotes met smaak.

Voor haar en haar generatie is 17 augustus „een heilige dag”. Op de 17e augustus 1945 riepen nationalisten Soekarno en Mohammed Hatta de Indonesische onafhankelijke republiek uit. Het gebeurde twee dagen nadat Japan had gecapituleerd. Truus hoorde er pas een dag later van, op de radio. „Verlossing en dankbaarheid” voelde ze. „We hingen overal rood-witte vlaggen op.”

Dit jaar zou het een mooi jubileumfeest worden, met 75 jaar onafhankelijkheid. Maar door corona is alles anders. Grote feestelijkheden zijn niet toegestaan, ook op het paleis van de president vindt een veel bescheidener viering plaats. Indonesiërs zijn opgeroepen om rond tien uur ’s ochtends, het tijdstip dat Soekarno de proklamasi voorlas, op televisie en online de ceremonie en het hijsen van de nationale vlag te volgen.

Betere kansen

Jammer vindt Truus – „mensen noemen mij mammie of tante” – het natuurlijk wel, dat het feest niet kan doorgaan. Haar Nederlands klinkt na al die jaren nog onberispelijk, haar dictie klassiek. Ze gebruikt woorden als ‘snelverband’, ‘galgenhumor’ en ‘jonge garde’. „Mijn vader was niet rijk, maar goed opgeleid. Hij dacht dat het beter zou zijn als ik goed Nederlands zou leren. Daar kreeg je later betere kansen mee.” Ze sprak als kind zelfs amper Indonesisch: Javaans en Nederlands waren haar eerste talen.

In de maanden na 17 augustus 1945 overheersten chaos en geweld in Indonesië. Japan had gecapituleerd, Indonesische nationalisten hadden de onafhankelijkheid uitgeroepen maar hadden geen controle over alle jonge strijders. En Nederland eiste de zeggenschap terug. Ook al had het nog geen bestuurders ter plaatse, die zaten nog in Australië. Geallieerden, vooral Brits-Indische troepen, probeerden namens Nederland het gezag te vervullen. Truus woonde toen in Surabaya, na Jakarta de tweede stad van het land. „In Surabaya waren we harder en fanatieker dan in Jakarta. Daar woonden meer buitenlanders, de bevolking was er gemengder.”

Ze was veertien jaar oud toen ze bij de Indonesische jonge-vrouwenbeweging en het Rode Kruis ging. Al tijdens de Japanse bezetting bereidden de meisjes zich voor op de strijd voor onafhankelijkheid. „Toen leerde ik al hoe je wonden moet verbinden en snelverbanden moet aanleggen.”

In november 1945 verzamelde ze ledematen tijdens een grote confrontatie tussen Britse troepen en Indonesische strijders. Ze doet het geluid van een mitrailleur na: „Dadada. We vonden lichamen zonder hoofd, of hoofden zonder lichaam. Zoveel mensen dood en aan stukken.”

Niet alle Indonesiërs waren pro-republiek, vertelt Truus: „Vooral de rijke lagen wilden terug naar de Nederlandse tijd. Dat was makkelijk, ze hadden een lekker leven toen.” Bij haar thuis, gewoon in de kampong, was dat wel anders. „Het nationalisme groeide bij ons. We wilden geen bezetter meer. Het was tijd voor onze eigen republiek.” Maar ook onder nationalisten heerste verdeeldheid: onderling geweld tussen de Indonesiërs krijgt in de nationale geschiedschrijving weinig aandacht, maar was er zeker.

In Surabaya was Truus getuige van wat later het vlag-incident is gaan heten, het symbool van het verzet tegen de Nederlandse bezetting en een moment dat een soort cultstatus heeft gekregen in de Indonesische geschiedenisboeken.

Het was 19 september 1945 en Truus had net twee nichtjes van school gehaald. Onderweg naar huis zag ze een massa mensen voor het chique Oranjehotel staan, dat de Japanners tot Hotel Yamato hadden gedoopt. Jonge Indonesische strijders klommen op het dak. Ze haalden de Nederlandse vlag naar beneden, scheurden het blauw eraf en hesen de rood-witte banen die overbleven. „Iedereen joelen: waah! Ik ook natuurlijk. Eén van die jongens was een voetbalvriend van mijn broer.”

Waarom Nederland het gezag over zijn kolonie niet wilde opgeven, begreep ze ergens wel. Het was hen volgens haar om grondstoffen, specerijen en vruchtbare aarde te doen: „Ze zijn rijk geworden door ons, vandaar dat ze moeite doen om terug te komen. Zij dachten: ‘Merdeka? Kan me niks schelen. Indonesië is van mij’.”

Jongeren dragen zondag Indonesische vlaggen in de stad Banda Atjeh Foto Chaideer Mahyuddin/AFP

Verraders zoeken

Van 1947 tot 1949, het jaar waarin Nederland onder zware internationale druk de soevereiniteit overdroeg, werkte Truus als spion voor de republiek. Ze deed inlichtingenwerk en zocht uit welke Indonesiërs stiekem pro-Nederlands waren. Bij een veearts die aan de Nederlandse kant stond, snuffelde ze door de papieren om namen van verraders te zoeken. En ze leerde dansen. Bij Nederlandse dansavondjes was ze een graag geziene dame. „Ze dachten misschien, ach, die spreekt toch Nederlands, het zal wel goed zijn.”

Van het overdragen van het gezag herinnert Truus zich weinig. Eind 1949 waren de Nederlanders ineens verdwenen. „Geruisloos. Het was misschien te pijnlijk voor ze.”

En hoe beziet zij haar land nu, 75 jaar na dato? Truus is zeker niet alleen maar blij met hoe Indonesië zich heeft ontwikkeld. Ze vindt dat China nu een te grote rol heeft. „Dat doen ze slim, ze hebben financiële invloed.” En ze moppert over corruptie. Zo heeft ze zich pas twee jaar geleden officieel als veteraan laten inschrijven, vertelt ze, omdat ze bij het instituut altijd een beetje smeergeld vroegen. Dat weigerde ze pertinent. „Ik heb toch gestreden voor ons land? Ik zou niemand hoeven betalen.”

Van de „jonge garde” van nu heeft ze ook geen hoge pet op. „Ze zijn veel te veel op het buitenland gericht. Op Amerika enzo. Wij hebben onze eigen cultuur, houd je dáármee bezig.” Ze houdt wel eens toespraken op scholen, dan vertelt ze over de strijd die zij geleverd hebben en dat jongeren zich daar meer bewust van moeten zijn. „Onze onafhankelijkheid is niet iets om mee te spelen. Je moet er zuinig op zijn.”