Opinie

Hoe goed lukt het om terug te veren?

Marike Stellinga

Catastrofaal, een dreun van de buitencategorie, een historische krimp, de Europese economieën storten als lemmingen de afgrond in. Hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen van het Centraal Bureau voor de Statistiek hield zich vrijdag niet in bij het duiden van de economische cijfers over het tweede kwartaal: de maanden april, mei en juni die beheerst werden door de bestrijding van het coronavirus.

Mensen consumeerden minder, bedrijven investeerden minder en de export daalde. De klap is heftig en de gevolgen zijn reëel: 322.000 banen verdwenen bijvoorbeeld, vooral flexwerkers raakten werkloos én bedrijven in sectoren als de horeca, cultuur, recreatie en sport schrijven rode cijfers. Niets om luchtig over te doen, zeker omdat verwacht wordt dat het aantal ontslagen en faillissementen nog zal toenemen.

Toch was het geen verrassing: als je delen van de economie ‘uit’ zet, krimpt die. Als mensen niet naar een restaurant mogen, daalt de consumptie. Als sportscholen dicht moeten, daalt de omzet. De gevolgen van dat uitzetten probeerde het kabinet te verzachten: via loonsubsidies voor 30 procent van de bedrijven en inkomenssteun voor eenderde van de werkenden: 3 miljoen mensen, inclusief zzp’ers. Dat is ongekend.

Dit was geen crisis die uit de economie voortkwam, maar een deels gemanagede klap van buiten. De vraag is nu: lukt het om terug te veren? Hoe snel en hoe ver? Wat is de blijvende schade? In een snel herstel in de vorm van een V geloven veel voorspellers niet meer. Maar wat het dan wel wordt? Een L? Daar zijn we nog lang niet. De rechterpoot van de V kan ook wat platter worden (de krimp gaat sneller dan het herstel). De klap had bovendien erger kunnen zijn.

Kijk maar naar andere landen in Europa: daar steekt onze 8,5 procent krimp gunstig bij af. De Zweedse economie kromp met een vergelijkbare 8,6 procent, Duitsland met 10,1 procent, Frankrijk met 13,8 en het Verenigd Koninkrijk met liefst 20,4 procent. Over waarom het ene land het beter doet dan het andere, durven economen alleen voorzichtige uitspraken te doen.

Landen die zwaar getroffen zijn door het virus zoals het VK en Zuid-Europa kregen ook economisch grotere klappen. Landen met een strenge lockdown lijken het slechter te hebben gedaan (Frankrijk sloot meer winkels dan wij). De structuur van de economie speelt een rol: landen die leunen op toerisme of de conjunctuurgevoelige autoindustrie hebben het zwaarder. En wellicht kunnen werknemers in sterk gedigitaliseerde landen als Scandinavië en Nederland makkelijker thuis werken. Ook het overheidsbeleid maakt uit. Elke regering zei: we doen whatever it takes. Maar sommigen lukte dat beter, bijvoorbeeld om steungeld snel bij bedrijven te krijgen.

Deze zoektocht naar de oorzaak van de verschillen is belangrijk: het kan lessen bieden als de verspreiding van het virus regeringen weer tot ingrijpende maatregelen aanzet. Intussen is het verleidelijk om dramatische parallellen te trekken, bijvoorbeeld met de Grote Depressie in de jaren 30. En inderdaad; de krimp is zeer groot. Maar we zitten in een onvergelijkbare crisis. We zijn nog steeds de beslagen ruiten van onze auto aan het boenen om goed de weg te zien waarop we rijden. De potentie om na de klap op te staan is aanwezig. En ons aanpassingsvermogen zou groter kunnen zijn dan we nu verwachten. Dat betekent niet dat er geen schade is, of dat de weg terug makkelijk zal zijn. Het betekent wel dat deze crisis uniek is.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.