Opinie

Een advocaat- generaal grijpt naar de megafoon

De Rechtsstaat

Als de Hoge Raad terug is van zomerreces, is er één procespartij die voor z’n winkel moet vrezen. Deze week vroeg de rechtbank Gelderland de Hoge Raad of het een scheldende fiscaal adviseur drie jaar mocht weigeren. Als het aan advocaat-generaal Peter Wattel ligt is het antwoord ja. Weg met die man: een rechtszaalverbod dus.

Dit komt dus weinig voor. Toegang tot de rechter is heilig, het is de kern van de rechtsstaat, het drukventiel van de democratie. Als je daar wordt weggestuurd, wat moet je dan wel niet hebben gedaan? Die rechter wordt geacht over een totale onverstoorbaarheid te beschikken en met iedereen te kunnen dealen, in ruil voor een levenslange aanstelling.

Maar nu blijkt de advocaat-generaal zelf boos te zijn geworden. Dit advies van 11.000 woorden heeft niet de gebruikelijke geserreerde, licht superieure toon waarvan advocaten-generaal zich doorgaans bedienen. Wattel blijkt aangestoken door de emoties van degene die hij berispt. Hij grijpt naar de megafoon en oreert dat „het rechtspraakpersoneel, de ‘vertegenwoordigde’ belastingplichtigen, de goede procesorde, de rechtspraak, de rechtsstaat en het voor de gemeenschap bedoelde publieke budget beschermd (moeten) worden tegen deze procesorde-saboterende, bedreigende, beledigende, belasterende en gemeenschapsgeld verbrandende gemachtigde”. Wattel meent ook dat diens uitingen strafbaar zijn. En hij geeft de Hoge Raad in overweging de naam van de adviseur en diens „stro(rechts)personen” ook te publiceren, om zo de klandizie te waarschuwen.

Goed, dit gaat over een belastingadviseur die al jaren berucht is om de schuttingtaal in z’n processtukken. En al vaak is gewaarschuwd – en bij een enkel gerecht al incidenteel is geweigerd. Wattel stelt nu een beroepsverbod van een half jaar voor en als „dat niet helpt” drie jaar.

Deze adviseur houdt zich bezig met bezwaarschriften tegen de naheffing voor de BPM. Die belasting moet onder meer worden betaald bij de import van een gebruikte auto. Daar is een omvangrijk en kostbaar kat- en muisspel gegroeid tussen overheid en automobilist. Het resulteert bij de fiscale bestuursrechter in duizenden ‘BPM-zaken’. Deze adviseurs waren verantwoordelijk voor 30 procent van de stijging van het aantal belastingzaken in hoger beroep. Eén bedrijf ging 600 keer in hoger beroep, lees ik in het jaarverslag. De adviseur die zich hier zo ongeliefd maakte is zo’n veelprocedeerder. Letterlijk onder het motto: gajescultuur, crimineel zooitje, clowns, kutland.

Lees ook: De rechter beledigen, zo makkelijk is dat niet

Nu is de fiscus bij sommige autobezitters even gehaat als de Jeugdzorg bij ouders. Zij achten zich als melkkoe misbruikt en sturen de brutaalste adviseur die ze maar kunnen vinden om overal bezwaar tegen te maken. Bij Wattel zit daar juist de pijn. Hij verwijt de adviseur ‘gemeenschapsgeld’ te verbranden. Iemand die met zaken komt die nergens op zouden slaan. En dat begeleidt met tieren en schelden.

Dat is vast hinderlijk. Zoals er ook boze burgers zijn die iedere week honderd WOB-verzoeken indienen. In zekere zin is dit ook een woekering van het belastingrecht zelf, waarin de burger uiteindelijk nooit kan ontsnappen aan de fiscus, aan de macht van de overheid.

Moet de rechter zich nu laten provoceren tot een beroepsverbod? Mij gaat dat te ver. Hoe moeilijk ook, de rechter moet de zaak zelf wegen en zich niet laten afleiden door ketelmuziek of procespartijen op voorhand diskwalificeren. Deze adviseur is een radicaal, ook in zijn bezwaarschriften. Daarin staat hij een geheel eigen interpretatie van het Europese recht voor, dat volgens hem totaal genegeerd wordt door de rechter en waarvan hij de enige correcte lezing geeft.

Rechters beschikken al over een heel areaal ordemaatregelen. Spreektijd kan worden ingeperkt, irrelevante stukken kunnen worden genegeerd, een partij kan uit de zaal worden verwijderd. Vorig jaar concludeerde advocaat Marianne Lochs in haar dissertatie over ‘contempt of court’ dat er best nog kan worden verbeterd of verfijnd aan de mogelijkheden voor rechterlijke zelfverdediging. Maar dat er aan een algemene beledigingsbepaling geen behoefte is. Dan is een beroepsverbod zeker een brug te ver, ook als het tijdelijk is.

Folkert Jensma is juridisch commentator. Twitter: @folkertjensma

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.