Saskia Belleman: „Jij verdwijnt na een zitting altijd onmiddellijk.” Bela Kubat: „Je weet nooit hoe opdringerig journalisten worden. Dus ik denk meestal: maak dat je wegkomt voordat ze je te pakken krijgen.”

Foto Lars van den Brink

Interview

‘Ik kan intens medelijden hebben met een verdachte’

Zomeravondgesprek Getuige-deskundige Bela Kubat en verslaggever Saskia Belleman zijn voor hun werk vaak in dezelfde rechtszaal. Ze worden er geconfronteerd met groot leed en verdriet. „Maar wij zien daar de uitzonderingen hè, Bela. Op straat lopen de normale mensen.”

Bela Kubat (63) is sinds kort weer begonnen met ballet. Het is, zegt ze halverwege de avond, nog altijd kaarsrecht op haar stoel, „een van de béste gymnastieken. Je oefent met statische krachten: aantrekken en vasthouden. Een geweldige training voor je spieren.” Als kind kreeg ze les van een voormalig prima ballerina van het Praags ballet. „Die had een lange stok, net als Russische gravinnen vroeger. Daarmee tikte ze het ritme. En als de beentjes niet hoog genoeg gingen, dan sloeg ze tegen je scheenbeen of tegen je kuit. Het was een harde leerschool, maar ik ben het altijd leuk blijven vinden.”

Tegenover haar zit Saskia Belleman (61) aandachtig te luisteren. Ook zij is niet zo lang geleden begonnen met sporten, vertelt ze. Ze heeft een personal trainer. „Eerst trainde ik twee keer per week met haar, nu doe ik het nog één keer per week met haar en één keer zelf.” In vorm blijven is nodig om haar lange werkdagen op oncomfortabele rechtbankstoelen door te komen: al ruim tien jaar verslaat ze rechtszaken voor De Telegraaf, en bericht ze live vanuit de rechtszaal voor een publiek van inmiddels bijna 100.000 Twitter-volgers. In talkshows zoals OP1 duidt ze de belangrijkste zaken. Het zijn, zegt ze, toch al gauw vier, vijf zittingen per week die ze bijwoont. „Je weet nooit wanneer een zaak afgelopen is. Soms kom ik pas om een uur of tien ’s avonds thuis en moet ik de volgende dag meteen weer door.”

Talloze keren kruisten hun wegen elkaar, maar nog nooit kwam het tussen Saskia Belleman en Bela Kubat tot een gesprek. Het is ook niet gebruikelijk dat een getuige-deskundige met de media praat, zegt Belleman. „Wij journalisten willen dat natuurlijk wel, maar als de advocaat van de verdachte ons zou zien, zou die daar meteen allerlei conclusies aan verbinden en dat in de rechtszaal gebruiken.”

Kubat is klinisch en forensisch patholoog. Beschadigingen aan de hersenen zijn haar specialisme. Mensen die onder verdachte omstandigheden overleden of van wie de dood niet te verklaren is, komen bij haar of een collega-patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) op de snijtafel. Het NFI verrichtte vorig jaar 285 secties, waarvan er 189 in de categorie doodslag of mishandeling vielen. Sinds ze in 2015 hoogleraar werd, verschoof Kubats werkveld naar Maastricht: in het academische ziekenhuis verrichte ze de afgelopen maanden 25 corona-obducties om meer te weten te komen over het virus. „We zagen bij die patiënten bijvoorbeeld vaak bloedstolsels in de organen, vooral in de longen. Vandaar dat patiënten nu uit voorzorg bloedverdunnende medicatie krijgen.”

Haar werk, zegt Kubat, is „een medische krimi”. Door weefsel te bestuderen, reconstrueert ze het lot van mensen die overleden zijn, vertelt ze hun verhaal. Een bejaard slachtoffer kan bijvoorbeeld aan een hartinfarct sterven, maar als dat infarct veroorzaakt blijkt door stress vanwege mishandeling, is het te kort door de bocht om het infarct als doodsoorzaak te benoemen. Dat soort bevindingen moet ze als forensisch patholoog in de rechtszaal zo goed mogelijk toelichten. Wat zij rapporteert, kan grote gevolgen hebben voor de straf die iemand krijgt.

De dood van Richard Nieuwenhuizen was zo’n zaak waarbij het oordeel van het NFI belangrijk was: er werden geen aanwijzingen gevonden dat zijn halsslagader al defecten vertoonde voordat de grensrechter op 2 december 2012 op het voetbalveld door een groep jeugdspelers werd geschopt en geslagen. Het toegepaste geweld, betoogde Kubat, was de rechtstreekse aanleiding voor zijn dood. Saskia Belleman volgde de zaak voor De Telegraaf.

„Jij verdwijnt na een zitting altijd onmiddellijk”, zegt ze.

„Ik kan best ‘nee’ zeggen als een journalist iets wil vragen, maar je weet nooit hoe opdringerig ze worden. Dus ik denk meestal: maak dat je wegkomt voordat ze je te pakken krijgen.”

Maar nu, aan de eettafel van gastvrouw en culinair schrijfster Nadia Zerouali, kunnen ze vrijuit met elkaar praten. Saskia Belleman heeft twee weken vrij. Ze is naar Almere Haven komen rijden vanuit hartje Amsterdam, waar ze met haar man woont in een huis dat uitkijkt op de Stopera en de Hermitage. Haar volwassen dochter is een paar jaar geleden het huis uit gegaan.

Bela Kubat is ook met de auto. Haar motor heeft ze net verkocht, het werd haar te druk op de weg („Je wordt van je sokken gereden”) en haar Ducati’s werden continu gestolen. Omdat haar werk als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht meer tijd in beslag ging nemen, verhuisde ze deze zomer van Den Haag naar het zuiden. „Alles zit nog in dozen.” Haar vriend woont in Eindhoven, de twee zoons die ze met haar ex-man heeft werken en studeren.

Maastricht, daar is ze de laatste tijd veel geweest, zegt Belleman terwijl Nadia Zerouali Marokkaanse thee inschenkt. „Woon je in het centrum? Prachtig!” Ze volgde bij de Limburgse rechtbank de zaak tegen Thijs H., die vorige maand achttien jaar cel kreeg voor de moord op drie wandelaars. En straks het proces tegen Jos B., verdacht van het doden van de elfjarige Nicky Verstappen. Na een reeks pro-formazittingen begint eind september de inhoudelijke behandeling.

Lees ook: Zullen we ooit weten wat er gebeurd is met Nicky Verstappen?

De rechtbank in Maastricht, gevestigd in een voormalig ziekenhuis, is weliswaar een mooi gebouw, maar leent zich vanwege de kleine zaaltjes eigenlijk niet goed voor het bijwonen van zittingen, zegt Belleman. „Zeker nu met corona is dat heel onhandig.” De faciliteiten in veel Nederlandse rechtbanken laten sowieso te wensen over, vindt ze.

Kubat: „Ja, het is altijd weer hopen dat de microfoons het doen.”

Belleman: „Dat is een drama hoor, in alle zalen. Het is een systeem waarbij het geluid uitvalt als je te zacht spreekt of naar achteren leunt. Daardoor hoor je op de publieke tribune cruciale delen van zinnen niet, vooral van de verdachten. Maar jou kon ik altijd goed verstaan.”

„Verdachten zijn het niet gewend hè. Advocaten weten dat ze luid en duidelijk moeten spreken. En ik ben gedresseerd door mijn vader.”

„O ja, in wat voor opzicht?”

„Om voordrachten te geven op congressen.”

Haar beide ouders waren ook patholoog, vertelt Kubat. „Het is bij mij een beetje genetisch bepaald, zeg ik altijd. Nadat mijn vader mijn eerste voordracht hoorde, zei hij: als je er weer een hebt, oefenen we samen. We hadden destijds beneden de zitkamer en boven de keuken en de eetkamer. Mijn vader plaatste mij in de verste hoek van de eetkamer en ging zelf in de uiterste hoek van de zitkamer zitten. En dan riep hij, van beneden naar boven: ‘Ik kan je niet horen, je moet luider spreken!’”

Het was niet zozeer angst, eerder woede. Het gevoel dat je onrecht wordt aangedaan. Ik zei in de les dat het een vieze vuile bezetting was

Bela Kubat

Bela Kubat groeide op in Tsjechoslowakije. Ze zag als elfjarig meisje de Russen met tanks Praag binnenrijden. De militairen kwamen met de intentie om de Praagse Lente te beëindigen en de democratische hervormingen die hadden plaatsgevonden terug te draaien.

Belleman: „Wat angstig dat je dat hebt gezien.”

„Het was niet zozeer angst, eerder woede. Het gevoel dat je onrecht wordt aangedaan, dat ze je land bezetten.”

„Kon je wel naar school blijven gaan? Ging het leven gewoon door?”

„Ja, maar er waren politieke zuiveringen. Mijn moeder werd opgeroepen en ondervraagd over haar politieke overtuiging ten aanzien van de Russische inval. De bedoeling was natuurlijk dat ze zou zeggen: ‘Wat een geweldige hulp van de Warschaupactlanden’, maar dat deed ze niet. Ik ben zelf ook ondervraagd, op school.”

„Als kind, zo jong?”

„Als kind, ja. Ik had toen in de les gezegd dat het een vieze vuile bezetting was en daar moest ik verantwoording over afleggen bij de schoolleiding.”

„Maar dat was toch best gevaarlijk om te zeggen?”

„Ik was zó kwaad over het onrecht. En ik wilde niet zeggen dat ik blij was, want dat was ik niet. Mijn moeder wist dat het geen zin had me op andere gedachten te brengen. Je moet je wel realiseren, zei ze, dat je dan noch naar het gymnasium kan, noch kan studeren. Nou, dan ga ik varkens hoeden en ga ik Engels praten met de varkens, antwoordde ik.”

Tegen de schoolleiding zei Bela dat ze niet van mening zou veranderen, en dat ze het nog steeds een „vieze vuile bezetting” vond.

Belleman: „Wist je toen al wat je wilde gaan doen?”

„Geneeskunde.”

„Dus je offerde eigenlijk je hele toekomst op…”

In de zomer van 1971 verliet Kubat Tsjechoslowakije met haar moeder en broer, niet wetende dat ze niet meer terug zou komen. Ze was toen veertien. „Mijn vader werkte in Nederland aan een project van de Wereldgezondheidsorganisatie over hartinfarcten en wij gingen hem opzoeken. We hadden campingspullen bij ons, ik had alleen een koffertje met zomerkleren mee. In de maanden dat mijn vader in Nederland zat, konden m’n ouders niet met elkaar van gedachten wisselen, want in Praag werd onze telefoon afgeluisterd en onze post geopend. Maar toen ze elkaar eindelijk spraken, besloten ze dat we niet meer terug zouden gaan.”

Belleman: „Wilde je niet terug naar je vrienden?”

Kubat schudt haar hoofd. „Als je daar ten onder gaat, heb je er ook niets aan.”

„Was je je daar al zo van bewust? Je weet natuurlijk niet wat voor leven je hier zou krijgen, wel wat je achterlaat.”

Dat wist ze heel goed, antwoordt Kubat. „Het kon eigenlijk alleen maar beter worden. Je krijgt wat je er zelf van maakt, was toen al mijn overtuiging.”

Belleman en Kubat begonnen hun carrières in de jaren tachtig, toen het in Nederland voor vrouwen helemaal nog niet gangbaar was om fulltime te werken. Haar vader, zegt Belleman, was een man van de oude stempel. „Die had zoiets van: als de jongens in het gezin maar een opleiding volgen en hun boterham kunnen verdienen. De meisjes gaan op een gegeven moment toch trouwen. De huishoudschool was eigenlijk wel prima.”

Hij had een drukkerij in Egmond aan Zee en gaf een goed gelezen huis-aan-huisblad uit. „Contact met de Egmonden, heette het. In spreektaal: het Ketakkie. Daar heb ik mijn eerste journalistieke schreden gezet. Ik had een column, interviewde mensen. Een man die zelf een boot bouwde, een mevrouw die fantastische wandkleden knoopte.”

De huishoudschool liet ze links liggen. Na een lerarenopleiding Engels ging ze werken bij verschillende regionale media. Als twintiger studeerde ze in de weekenden en avonduren rechten om meer diepgang te geven aan haar journalistieke werk. „Ik deed toen ook andere dingen dan rechtbankverslaggeving, maar vond het meteen fascinerend. Alles wat je doet – of je nu een tramkaartje koopt of je auto ergens parkeert – het zijn allemaal rechtshandelingen.”

„Hoe vaak is jou gevraagd of je je werk wel kunt combineren met kinderen’’, wil Belleman van Kubat weten.

„Dat is nooit zo direct gevraagd. Waarschijnlijk omdat ik, als ik die vraag voelde aankomen, al zo boos keek dat ze het niet eens meer durfden. Het is toch normaal dat een vrouw wil werken en een carrière wil hebben?

Kubat had een „oppasmevrouw” en een poetsvrouw. „Het is allemaal veel moeilijker als je de financiële middelen niet hebt.”

En haar man, wat deed die?

„Die was cardioloog.”

En in huis?

Kubat: „Niet veel. En dat is ook mijn schuld denk ik, omdat ik vond dat ik het moest doen. Dat is volgens mij iets heel Nederlands, want de meeste vrouwen hier werkten niet.”

Belleman: „Of parttime.”

Kubat: „Ik ben er nog niet zo lang geleden achter gekomen hoe dat komt. In de vijftiger jaren, na de oorlog, is in Nederland vanuit de regering het concept van de vrouw als hoeksteen van het gezin en daarmee de samenleving gepresenteerd, en is sterk gepropageerd dat vrouwen thuisbleven. Dat was dus stáátspolitiek!”

„Je zou zeggen dat onze generatie daar niet meer…”

„Ik had het gevoel dat mijn ex-man vond dat ik thuis moest blijven na ons eerste kindje. Op een keer was de oppas ziek. Toen zei hij: wat doe je nu met de kinderen?”

„O ja, dan waren het ineens jóúw kinderen.”

Bela Kubat en Saskia Belleman wisselen anekdotes uit. Jaloerse of onvriendelijke opmerkingen over het feit dat ze fulltime werkten kwamen vooral van andere vrouwen, constateren ze. Belleman: „Dan kreeg je van die opmerkingen op het schoolplein: kun jij luizenmoeder zijn morgenochtend? O, je moet zeker weer werken. Heb ik me nooit iets van aan getrokken.”

Nu komt het toch nog allemaal goed, zeiden mensen. Hoezo? Ik heb een kind verloren. Hoe komt dat ooit nog goed?

Saskia Belleman

Er worden foto’s gemaakt in het park verderop, bij terugkomst gaat het gesprek over hun gezinnen. Kubat: „Je hebt één dochter?”

Belleman: „Ik heb er eigenlijk twee. Maar de oudste, Famke, is overleden kort voordat ik was uitgerekend. Waaraan is nooit helemaal duidelijk geworden. Het enige wat ze konden vinden is dat het grootste deel van haar bloedvoorraad in mijn bloedbaan zat. Dat duidt op een plotselinge bloeding. Wat ik een heel akelig idee vond, was dat het misschien zo’n langzaam druppelend proces is geweest. Maar dat was niet zo.”

Kubat, in de doktersmodus: „Nee, dat kan niet.”

„Dan krijg je dus van die opmerkingen als: de kans dat je de Staatsloterij wint is groter dan dat dit gebeurt.”

„Daar heb je helemaal niks aan.”

Het duurde een tijdje voordat Belleman de fijne kanten van het leven weer zag, vertelt ze. „Ik ging in de overlevingsstand. Ik had geen zin om dingen te ondernemen. Uit eten gaan, verjaardagen – blegh. Pas na twee jaar merkte ik dat ik dingen weer leuk begon te vinden. Ik denk dat ik een soort burn-out had.”

Een paar jaar later werd dochter Fleur geboren. „Een cadeautje”, zegt Belleman. Maar ook reden tot vreemde reacties. „Nu komt het toch nog allemaal goed, zeiden mensen. Hoezo? Ik heb een kind verloren. Hoe komt dat ooit nog goed?”

Het verlies heeft haar voorgoed veranderd, zegt Belleman. Ze denkt dat ze bedachtzamer en rustiger is geworden. „Ik oordeel minder over mensen, want je weet niet wat hen is overkomen. Als ik in de rechtszaal, zit kan ik ook intens medelijden hebben met een verdachte, al heeft-ie iets vreselijks gedaan.”

Ze herinnert zich een proces tegen een man die in een psychose zijn moeder vermoordde. „De verdachte droeg een verschoten badjas, met van die blauwe bajesslippertjes. Hij snotterde het ene na het andere zakdoekje vol. De enige die op de publieke tribune zat, was z’n vader. De man was volwassen, maar woonde nog bij zijn ouders en leed al jarenlang aan psychoses. Op een gegeven moment dacht zijn vader: dit gaat niet goed. De zoon bleek door z’n medicijnen heen, dus die vader is gaan bellen. De dichtstbijzijnde apotheek zat een paar dorpen verderop. Toen hij onderweg was, heeft die jongen z’n moeder vermoord. Een drama. Dat je denkt: moet je zo’n man veroordelen? Hij heeft dit nooit gewild. Volgens mij kreeg hij alleen een tbs-maatregel.”

Kubat: „Dat is iets wat veel mensen dan niet begrijpen hè.”

Belleman: „Nee, sommigen reageren meteen vanuit de onderbuik: levenslang, op water en brood.”

De tafel staat inmiddels vol met eten: Libanees brood, dips en een salade die is opgesierd met bloemen uit de tuin. Koken behoort niet tot Kubats favoriete bezigheden, biecht ze op. „Tegen de keukenmeneer zei ik laatst: ‘Ik koop bij u een ik-kook-niet-keuken.” Iedereen lacht. „Hij moest vooral mooi zijn.” Bakken doet ze wél graag. Dat, merkt Nadia Zerouali op, die even is aangeschoven, zegt veel over wat voor soort mens je bent. „Bakken is net scheikunde, je moet alles heel precies afwegen. Mensen die koken doen maar wat, ze varen op gevoel.”

„Dan ben ik toch meer een koker”, zegt Belleman.

Saskia Belleman is een van de weinige gespecialiseerde rechtbankverslaggevers die nog in vaste dienst is. Bij veel media doen journalisten het ‘erbij’. In 2010, bij de eerste zaak-Geert Wilders (hij werd vrijgesproken van groepsbelediging, haatzaaien en aanzetten tot discriminatie) begon ze met twitteren. „Er was zoveel mediabelangstelling voor die zaak dat ik me afvroeg hoe ik daar als journalist van een ochtendkrant iets zinnigs aan zou kunnen toevoegen.” Een collega stelde Twitter voor. „Ik vond het eerlijk gezegd een onzinmedium, voor mensen die hun volgers vragen welke hagelslag ze moeten kopen. Maar via de site van De Telegraaf haakten mensen massaal aan. Al na één dag had ik vierhonderd volgers.”

Nog altijd doet ze via Twitter rechtstreeks verslag van wat ze hoort, waardoor ze steeds moet afwegen of wat ze in de rechtszaal hoort ook geschikt is voor publicatie. „Ik was een keer bij een snelrechtzitting tegen supporters die zich na een voetbalwedstrijd vreselijk hadden misdragen. Ze hadden de halve stad afgebroken en mensen in elkaar gemept en de ME bekogeld met bierblikken en stenen. Er was een man bij die lesgaf op het ROC. Ik heb zijn woonplaats en voornaam niet vermeld omdat hij dan te traceren zou zijn. Hij heeft iets gedaan wat niet kan en mag, dus daar moet hij de consequenties van dragen, maar moet ik ervoor zorgen dat hij ook nog eens zijn baan kwijtraakt?”

Natuurlijk kent ze reputatie van De Telegraaf. „Een reputatie van jagen op primeurs en die met grote koppen in de krant knallen. Ik kijk soms wel op van de koppen boven mijn stukken. Al kunnen ze vaak ook grappig en trefzeker zijn.”

„Sinds jij bij De Telegraaf werkt”, merkt Kubat op, „is de verslaggeving gewoon oké. Het is objectief en er zitten geen sensatie-onliners tussen.”

Belleman: „Die opmaak hè. Dat geeft meteen een bepaalde indruk, zeker als mensen alleen de koppen lezen. Ik wil niet zeggen dat wij die sensationele invalshoek niet hebben, die is er soms wel degelijk. Maar voor mij hoeft dat niet en de hoofdredactie vindt dat prima. Er is nog nooit gevraagd of ik er een schepje bovenop wil doen.”

Gruwelijke details laat ze achterwege. Al is ze heus wel eens de fout ingegaan: „In de zaak Marianne Vaatstra deed de dader uit de doeken hoe hij haar van haar fiets de bosjes in sleurde en verkrachtte. Hij beschreef het tamelijk openhartig. Drie keer met het mes langs de keel, hij hoorde bloed stromen. Dat heb ik getwitterd, op het moment dat ik op ‘verzenden’ drukte, had ik al spijt. Er kwamen geen reacties op, maar ik vond dat ik een grens had overschreden.”

Went het, om dagelijks te worden geconfronteerd met zoveel leed?

Belleman: „Ik zit daar natuurlijk een beetje met dat professionele schild voor m’n hoofd. Het is niet míjn verdriet, en dat probeer ik het ook niet te laten zijn. Het enige wat ik kan doen is er zo integer mogelijk verslag van doen en uitleggen hoe het zo is gekomen. En het blijven de uitzonderingen hè, daar probeer ik me altijd bewust van te blijven. Ik weet niet hoe het jou vergaat, Bela, maar dat is wat ik mezelf voorhoud. Op straat lopen de normale mensen rond.”

Kubat: „Als er bij het NFI nieuwe, jonge mensen komen werken, denken ze al snel dat de hele wereld crimineel is. ‘Je moet je realiseren dat wat wij hier binnenkrijgen, een condensatie uit het héle land is’”, zeg ik dan.

Als ze werkt, zet ze haar emoties op de achtergrond, vertelt Kubat. „Maar ik ben geen machine. Een gebeurtenis als MH17, dat blijft je altijd bij.” In 2014 werkte ze met haar team tien dagen bijna non-stop in de Korporaal van Oudheusdenkazerne in Hilversum mee aan strafrechtelijk onderzoek naar de toedracht van het neerstorten van het vliegtuig. Dat is inmiddels afgerond en het onderzoeksrapport is openbaar, dus ze kan wel vertellen wat ze er deden: zoeken naar stukjes raket. „Zo simpel was het. En we hebben ze gevonden, in de lichamen. Een essentieel puzzelstukje.”

Lees ook: Een driedimensionale foto van ieder slachtoffer van MH17

„Tijdens het onderzoek reed ik elke dag van Hilversum naar Zwolle. Mijn hoogbejaarde vader woonde daar en ik paste ’s nachts op hem. Mijn man kwam me bezoeken. Het was prachtig weer, hoogzomer. Ik zei tegen hem: ik wil naar buiten, ik wil onder de mensen zijn, want ik wil léven om me heen. Dagenlang had ik de dood om me heen gehad. Dat is zwaar, emotioneel.” Ze slikt een paar tranen weg. „En toen zijn we op een terrasje om de hoek gaan zitten.”

Over een paar jaar mogen Bela en Saskia met pensioen. Kunnen ze zich daar al iets bij voorstellen, vragen we. Ze schieten allebei in de lach.

Kubat, bozig: „Ja, ik kan het me voorstellen, maar ik doe het liever niet.”

Belleman: „Je kunt nog even door toch, als hoogleraar?”

Kubat: „Ja, ik mag nog dik drie jaar. Maar als je wat ouder wordt, draai je gelukkig niet langer zestigurige werkweken.”

En Saskia Belleman?

Ze fronst. „Ik ben er ook het type niet naar om niets meer te doen. Ik ben bezig met een boek over een vrouw die jarenlang onterecht verdacht werd van de moord op haar moeder en haar stiefvader. Dat schiet niet op, het werk dendert maar door. Het rare is, pas nu jullie het vragen, besef ik dat het eind langzaam in zicht komt. Verdomd, ja!”


Saskia Belleman

Saskia Belleman (Egmond aan Zee, 1959) is rechtbankverslaggever voor De Telegraaf. Ze begon haar journalistieke carrière bij dagblad De Zaanlander en was onder meer chef nieuwsdienst bij persbureau ANP. Via Twitter geeft ze snelle duiding bij rechtszaken.


Bela Kubat

Bela Kubat (Praag, 1957) is klinisch en forensisch patholoog. Namens het NFI trad ze de afgelopen zeventien jaar in vele strafzaken op als getuige-deskundige. Sinds 2015 is ze als bijzonder hoogleraar verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Maastricht en de Universiteit Maastricht (MUMC+).

Over de fotografie

Voor de dubbelportretten bij deze interviewserie gebruikte fotograaf Lars van den Brink de double exposure-functie, waarbij de camera twee beelden over elkaar heen legt. Vroeger ontstonden zulke in elkaar overvloeiende foto’s soms spontaan, als het filmpje niet goed doordraaide.