Recensie

Recensie Boeken

Avontuurlijke zijpaden in de geschiedenis van de fiets

Jeugdboek In veertien hoofdstukken slinger je door Paul de Moors geschiedenis van de fiets. Hij dist duizelingwekkend veel informatie op, maar steeds helder opgeschreven en met een vrolijk gevoel voor taal.

‘De fiets is als god’, stelt Paul de Moor. ‘Eenmaal ontdekt was het alsof hij er altijd al was.’ Dit klinkt misschien wat hoogdravend. Toch, wie Het fietsboek van deze veelzijdige Vlaamse schrijver ter hand neemt, kan niet anders dan meegaan in zijn godsbeeld. De Moor, die als kind ervan droomde beroepsrenner te worden, schrijft zo aanstekelijk en passievol over wat hij ‘de beste uitvinding ooit’ noemt, dat je, voordat je het weet, bij hem achterop de bagagedrager springt en meegaat op fietsavontuur.

Want een avontuur is het, dit boek, ook al valt het onder de categorie non-fictie. Beginnend bij de 45 kilo wegende loopmachine uit 1818 en eindigend bij onze moderne hogesnelheidsfiets die het aantal kilometers per uur rijdt dat zijn lompe voorvader wóóg. Zo slinger je in veertien hoofdstukken door de fietsgeschiedenis. Onderweg val je van de ene in de andere verbazing en kijk je je ogen uit, dankzij de kleurrijke en geestige, vertellende illustraties van Wendy Panders.

Paardenmest

Dat de fiets een uitkomst was voor de paardenmestcrisis waarmee steden als New York, Parijs en Londen eind negentiende eeuw worstelden, is nog goed voorstelbaar. Maar de verbazing stijgt wanneer je leest dat de eerste fietswedstrijd een krachtmeting betrof tussen ‘tweevoeters op wielen’ en ‘viervoeters op hoeven’. Of dat ‘de hoge bi’ (bicycle) – die wonderlijke fiets met het reusachtige voor- en kleine achterwiel – zo’n rage werd dat hij de bijnaam ‘Ordinary’ kreeg. Hoezo populair, denk je, bij het zien van Panders’ cartooneske voorstelling van hoe het bestijgen van deze waanzinnige tweewieler zonder remmen in zijn werk ging, en het berijden zomaar met een duikvlucht in de greppel kon eindigen. De Moors veronderstelling dat er slechts twee soorten hoge bi-rijders waren – ‘zij die al een ongeluk achter de rug hadden en zij die het nog moesten krijgen’ – is dan ook zeer plausibel.

Het fietsboek bevat duizelingwekkend veel informatie, maar is helder van opzet. Ieder hoofdstuk begint met een tekening van een type fiets (van de Rover safety bike uit 1884 met zijn doordachte frame, tot de eerste racefiets van vader en zoon Michaux) waarna – goed gedoseerd en elkaar evenwichtig afgewisseld – technische uitleg en anekdotes volgen. Daarbij wendt De Moor zijn literaire creativiteit volop aan, met trefzekere taal en woordspelingen die zorgen voor een grappige noot. Zo noemt hij de geschiedenis van de fiets ‘een versnelling in vier (of vijf) tijden’, en legt hij verbeeldingsvol uit hoe de loopfiets bij het bergaf gaan toch echt ‘meer dan twee voeten in de aarde had’. Ook leuk: het verhaal van mijningenieur Hugo Bollen (1946) die onder het motto ‘wie in de knoop raakt, heeft een bordje nodig’ de in de mijnen gebruikte bewegwijzering ‘bovengronds’ bracht, wat het begin van ons gigantische fietsknooppuntennet inluidde.

Rijwielwoede

De Moors liefde voor taal is voortdurend voelbaar. Tussen de regels door verwijst De Moor herhaaldelijk naar woordbetekenissen en hoe de fietskunst onze woordenschat heeft verrijkt. Treffend bijvoorbeeld is het verschil in gebruik van het woord rijwiel – in 1869 geïntroduceerd door de Utrechtse letterkundige Alfred Buijs en voorbehouden aan de bourgeoisie – en fiets, dat als ‘plat en volks’ gold. Ook noemenswaardig: het veelbetekenende woord ‘rijwielwoede’, dat in zwang raakte toen Nederland eind negentiende eeuw massaal was bevangen door fietslust en het fietsbezit in rap tempo toenam en de Van Dale alweer is uitgefietst. Helaas, want sinds de coronacrisis is deze woede terug van weggeweest.

Door alle zijpaden die De Moor inslaat, is het boek wel wat oeverloos. Maar heel storend is dat niet. Weliswaar kent het parcours een ‘start’ en ‘finish’, maar dit betekent niet dat je het uitgestippelde pad per se moet volgen: de fiets staat symbool voor vrijheid. Niet geheel toevallig noemden vrouwen de tweewieler indertijd een ‘freedom machine’, en inspireerde hij non-conformistische kustenaars als Ai Weiwei en Marcel Duchamp. De fiets verruimt de blik en maakt de gedachten vrij. Hij geeft ‘ritme’ aan het leven en ‘doet het vooruitgaan’.