Analyse

8,5 procent krimp voor de Nederlandse economie is nog best weinig

Coronarecessie In de meeste Europese landen kromp de economie in het tweede kwartaal nóg meer dan in Nederland. Waarom? De consumptie was de bepalende factor.

Nederland kende een relatief milde lockdown, maar economen vermoeden dat de mate van economische krimp vooral samenhangt met mobiliteit.
Nederland kende een relatief milde lockdown, maar economen vermoeden dat de mate van economische krimp vooral samenhangt met mobiliteit. Foto Olivier Middendorp

Een meevaller kun je het amper noemen, het economische krimpcijfer dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vrijdag presenteerde. 8,5 procent bedroeg de daling van het Nederlandse bruto binnenlands product (bbp) in het tweede kwartaal van dit jaar, ten opzichte van het kwartaal ervoor. „Een historische krimp, die we in de jaren dertig zelfs niet hebben gezien”, aldus CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen bij de presentatie van de cijfers.

En toch. Minus 8,5 procent, dat is minder desastreus dan minus 20,4 procent, het bbp-cijfer van het Verenigd Koninkrijk over het tweede kwartaal. In de meeste Europese landen sloeg de coronarecessie harder toe dan in Nederland. Italië (minus 12,4 procent), Frankrijk (minus 13,8 procent) en vooral Spanje (minus 18,5 procent) scoorden slecht, Duitsland deed het relatief goed met een krimp van 10,1 procent. De gemiddelde bbp-daling in de 27 landen van de Europese Unie bedroeg 11,7 procent.

„Het is alsof de Europese economieën als een stel lemmingen van het ravijn storten”, zei Van Mulligen. Maar ze vielen niet allemaal even diep. Vanwaar de verschillen?

Van Mulligen zelf heeft niet direct een verklaring. „Het blijft gissen.” De verschillen in sterkte van de lockdown worden vaak genoemd als verklaring, zegt hij. Maar Zweden, dat een zeer lichte lockdown kende, liet desondanks een krimp van 8,6 procent zien. „Voer voor economen om zich de komende maanden mee bezig te houden.”

Bij ING en ABN Amro zijn die economen al druk bezig met het thema. Beide banken voorspelden de voorbije weken al dat het VK en Zuid-Europa een hardere economische tik zouden krijgen dan Nederland en Duitsland.

Binnenlandse vraag

Bert Colijn, econoom bij ING, stelt dat „de dominante factor” voor het coronaeffect op de economie van een land de omvang van de binnenlandse vraag is. „Veel meer dan, bijvoorbeeld, de schade aan de export.”

Om die binnenlandse vraag in verschillende landen in de gaten te houden, volgt Colijn nauwgezet de data over mobiliteit tijdens de pandemie, die Google sinds april publiceert. Daaruit leidt hij af hoe zwaar de economische activiteit in elk land lijdt onder de coronacrisis. Google meet de dagelijkse bewegingen van mensen op verschillende locaties, zoals het openbaar vervoer, supermarkten en parken. Op basis van de indicatoren in de Google-data die ING economisch het meest relevant acht – over winkels, supermarkten en kantoren – construeerde de bank een ‘lockdownindex’.

„De bewegingen op die plekken schaduwen als het ware de ontwikkeling van de binnenlandse vraag”, zegt Colijn. Op de ING-index scoorden Spanje, Frankrijk en het VK in het tweede kwartaal slechter dan Nederland, Duitsland en Zweden. „De correlatie met de bbp-cijfers is heel sterk.”

Lees ook: zonder steun aan werkgevers was de economische schade veel groter geweest, stelt het Centraal Planbureau

Ook vrees voor virus speelt rol

In de beperking van de mobiliteit speelt mee hoe streng de lockdowns van overheden zijn, maar ook de angst voor het virus van mensen zelf, zegt Colijn. In Frankrijk gingen ‘niet-essentiële’ winkels bijna twee maanden dicht, anders dan in Nederland. In het VK begon de lockdown laat, maar duurde die ook lang, en daar sloeg de virusangst toe toen de pandemie in april uit de hand liep. Spanje kende zowel een zware pandemie als een zware lockdown.

In het derde kwartaal zullen behalve de binnenlandse consumptie ook andere factoren een grotere rol gaan spelen, zo verwacht Colijn. Zuid-Europese landen zullen bijvoorbeeld bovengemiddeld lijden onder de terugval van het internationaal toerisme in de maanden juli en augustus.

Nora Neuteboom, econoom bij ABN Amro, ziet nog een andere reden waarom de Nederlandse economie tot dusver redelijk presteerde. „Nederland is flink gedigitaliseerd en was al gewend aan thuiswerken, anders dan bijvoorbeeld Frankrijk of Italië. Veel activiteit kon daarom doorgaan.” Maar net als Colijn van ING merkt zij de binnenlandse consumptie aan als hoofdfactor in de verschillen in economische prestaties tussen landen. „Daarin is de ontwikkeling van het virus zelf minstens zo belangrijk als hoe zwaar de lockdowns uitpakken”, zegt ze.

Ze wijst op het voorbeeld van Zweden, dat amper een lockdown kende, maar waar de het virus in juni flink om zich heen greep. „Mensen horen van besmettingen, krijgen angst en blijven daarom toch liever thuis.” Op lokaal niveau kun je dit verband tussen het aantal besmettingen en economische activiteit goed zien, zegt Neuteboom. Uit transactiedata van ABN Amro blijkt dat in Hillegom, waar medio juli een coronauitbraak plaatsvond, het aantal betalingen van consumenten direct met 10 procent terugliep. In Amsterdam en in Rotterdam liepen transacties terug met 6 à 7 procent na berichten over uitbraken eind juli. „Er zijn geen nieuwe lockdowns geweest, het gedrag van mensen veranderde wel”, zegt Neuteboom. In de drie gemeenten herstelde zich de consumptie daarna ook wel weer, maar die blijft onder het niveau liggen van vóór de coronapandemie.

Waarschuwing aan politiek

Neuteboom heeft een waarschuwing voor de Nederlandse politiek: wees waakzaam. In het tweede kwartaal viel de economische schade vergeleken met de buurlanden redelijk mee. Maar dat kan in volgende kwartalen anders uitpakken, als Nederland te weinig doet tegen verspreiding van het virus. „Wij hebben nu een relatief laks beleid vergeleken met veel buurlanden. Maar op de lange termijn is dat niet per se goed voor de economie. Op het moment dat het virus blijft rondwaren, blijft die consumptie onder druk staan.”