Uber drijft strijd over zelfstandigheid chauffeurs op de spits

Ritjesapp Techbedrijf Uber dreigt om voorlopig de activiteiten in Californië te staken. Aanleiding is een rechterlijk oordeel dat Uber verplicht om taxichauffeurs in dienst te nemen.

Uber ziet zichzelf als technologie- en niet als taxibedrijf. Chauffeurs zouden bovendien werken voor de passagiers, niet voor Uber.
Uber ziet zichzelf als technologie- en niet als taxibedrijf. Chauffeurs zouden bovendien werken voor de passagiers, niet voor Uber. Foto Robyn Beck / AFP

„Het is hoog tijd dat Uber en Lyft hun verantwoordelijkheden onder ogen zien”, zei een rechter in de Amerikaanse staat Californië. In een kort geding oordeelde hij maandag dat beide taxi-appbedrijven per direct hun chauffeurs in Californië in dienst moeten nemen.

Uber is samen met concurrent Lyft verwikkeld in een juridische strijd over de rechtspositie van chauffeurs. Die doen hun werk als zelfstandigen, waardoor het hen ontbreekt aan bepaalde sociale zekerheden die horen bij een dienstverband, zoals minimumloon, ziekte- en vakantiegeld en ontslagbescherming. De staat Californië en enkele Californische steden daagden de twee bedrijven in mei voor de rechter om dat om te draaien: getoetst aan een nieuwe Californische wet (AB-5) zouden chauffeurs werknemers zijn.

Uber en Lyft verzetten zich hevig tegen de verplichting dat ze hun chauffeurs in dienst moeten nemen. De reden daarvoor laat zich raden: de loonkosten zouden flink stijgen – volgens berekeningen van de bedrijven met 20 tot 40 procent. Uber vindt dat het Amerikaanse arbeidsrecht niet aansluit bij de vrijheid en flexibiliteit die chauffeurs genieten in hun werk.

Uber voert ook in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en elders in de VS rechtszaken over de positie van chauffeurs. Het bedrijf vecht die tot de hoogste rechters uit. Dat duurt soms jaren, terwijl chauffeurs in die tijd geen beroep kunnen doen op werknemersrechten. De staat Californië vroeg de rechter daarom om een tijdelijke regeling.

Geen taxibedrijf

Het kort geding bleek een interessant voorproefje voor het vervolg van de Californische rechtszaak, én voor eventuele toekomstige rechtszaken in de Verenigde Staten en daarbuiten. Alle belangrijkste argumenten kwamen alvast boven tafel. Zo meent Uber dat wet AB-5 niet op het bedrijf van toepassing is omdat het werk dat chauffeurs doen niet tot de kern van de bedrijfsactiviteiten behoort. Uber is naar eigen zeggen immers een technologiebedrijf, geen taxibedrijf. Bovendien zou Uber geen opdrachtgever zou zijn: chauffeurs werken volgens Uber voor de passagiers, niet voor het bedrijf.

„Nonsens”, vond de rechter. „Een dappere ontkenning van de realiteit. Hun bedrijven draaien volledig om het vervoeren van passagiers. Ze worden gereguleerd als taxibedrijf. En chauffeurs werken niet gratis voor Uber en Lyft.”

De rechter veegde ook andere argumenten van Uber en Lyft van tafel en achtte de kans dat de staat de bodemprocedure wint „overweldigend groot”.

Hoofdaanklager Xavier Becerra zegt dat de strijd nog lang niet gestreden is. Ook Uber en Lyft lijken er zo over te denken: zij gaan tegen de uitspraak in beroep.

We kunnen niet ineens tienduizenden chauffeurs aannemen

Dara Khosrowshahi topman Uber

Uber-topman Dara Khosrowshahi kondigde woensdag in een interview met de Amerikaanse nieuwszender MSNBC aan dat Uber er in Californië „zo ongeveer de stekker eruit zal moeten trekken” als de uitspraak in hoger beroep niet wordt teruggedraaid. „Dat zou heel jammer zijn, maar we kunnen niet ineens tienduizenden chauffeurs aannemen.” Concurrent Lyft zou hetzelfde van plan zijn.

Dat zijn geen loze woorden, het is Uber menens. Samen met Lyft en nog drie gelijksoortige bedrijven spendeerde het zo’n 110 miljoen dollar (circa 93 miljoen euro) aan een eigen wetsvoorstel om chauffeurs en bezorgers in Californië zelfstandig te houden. De bedrijven zouden zich volgens die wet wél committeren aan het bieden van een vorm van sociale zekerheid en minimumuurtarief. In november kan de Californische bevolking over de wet stemmen. Uber wil daarop wachten, en – als het bedrijf ook het hoger beroep verliest – tot die tijd desnoods de werkzaamheden in de staat staken. In 2016 trok Uber zich al eens terug uit de stad Austin in Texas, in reactie op verscherpte regelgeving.

Verhoogde ritprijzen

De wet die in de Californische rechtszaken centraal staat is in september vorig jaar aangenomen en trad op 1 januari in werking. Uber en Lyft hadden voor die tijd voorbereidingen moeten treffen om eraan te voldoen, vond de rechter.

Uber stelt dat Uberchauffeurs niet langer vrij zijn om hun eigen werkschema te bepalen als het bedrijf ze in dienst moet nemen. Die vrijheid is nu juist wat chauffeurs waarderen aan het werk voor Uber.

Hoofdaanklager Becerra benadrukte dat het Californische arbeidsrecht dat helemaal niet voorschrijft. Toch wordt dat volgens Uber de realiteit als ze het hoger beroep verliezen. Uber moet in dat geval de ritprijzen verhogen, aldus Khosrowshahi. En omdat dit zou leiden tot minder aanvragen van passagiers, zou er ook minder werk zijn voor chauffeurs. „Juist in tijden van grote werkloosheid in Californië zou dat erg jammer zijn”, zei Khosrowshahi.

De rechter trok zich van de door Uber geschetste gevolgen weinig aan. „Als er nadelige gevolgen ontstaan voor chauffeurs, dan zijn ze zo nadelig geworden omdat Uber en Lyft langdurig, brutaal hebben geweigerd om zich aan de wet te houden.”

Ook in Nederland staat de zelfstandigheid van Uberchauffeurs ter discussie

Ook in Nederland staat de zelfstandigheid van Uberchauffeurs ter discussie. Vakbond FNV betoogt dat chauffeurs werknemers zijn. Kamerlid Gijs van Dijk (PvdA) vroeg in maart of minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, D66) „bereid is om te kijken naar de [arbeidsrechtelijke] situatie van Nederlandse Uberchauffeurs”. Die antwoordde dat dit soort kwesties individueel bekeken moeten worden, en dat het aan een rechter is daarover te oordelen. Tot een rechtszaak is het nog niet gekomen.

Maaltijdbezorger Deliveroo moest de zelfstandigheid van fietsbezorgers wel voor de rechter verdedigen, nadat FNV een zaak had aangespannen. In eerste aanleg kreeg de vakbond gelijk: de rechter oordeelde dat bezorgers aanspraak kunnen maken op een arbeidsovereenkomst. Het hoger beroep dient volgende maand.