Reportage

De stad moet er ook voor egels zijn

Stadsnatuur Den Haag zal in 2035 meer dan 600.000 inwoners tellen. En tegelijk wil de stad „natuur-inclusief” worden.

Het Rode Kruisplantsoen met de Haagse Beek in Den Haag. De publieke ruimte in de stad zal „ecologisch” ingericht worden.
Het Rode Kruisplantsoen met de Haagse Beek in Den Haag. De publieke ruimte in de stad zal „ecologisch” ingericht worden. Foto David van Dam

Midden in het plantsoen vangt stadsecoloog Martin van den Hoorn een bruine kikker. Eerder al heeft zijn collega Esther Vogelaar atalantavlinders aangewezen, die dwarrelen om de kattenstaarten aan de oever van de Haagse Beek. Er staat boerenwormkruid en lisdodde. Tussen het riet piepen watervogels.

Maar duw de struiken opzij en je staat midden in Den Haag, op de Segbroeklaan, de westelijke verbindingsroute door de stad. Met flats, en het oude Rode Kruis-ziekenhuis wat verderop. In de drukte van de dichtstbevolkte gemeente van Nederland. Die zal groeien van bijna 550.000 inwoners nu naar meer dan 600.000 in 2035 en waar jaarlijks 4.000 woningen moeten worden bijgebouwd.

Wat de stadsecologen willen laten zien, is dat het prima samen kan: stad én natuur. Groen dat niet louter bestaat uit een perkje met groen raaigras, maar uit verschillende grassoorten met aren en pluizen. Dat er misschien slordiger uitziet – voor de leek zelfs als onkruid – maar waarin insecten, vogels en andere kleine dieren graag leven.

Donderdag presenteerde de gemeente Den Haag een nieuwe nota Stadsnatuur. Waar het eerder ging om het creëren van groene plekken, gaat het nu om het verbeteren van het leefgebied van „huis-, tuin- en keukensoorten” en het behouden van biodiversiteit. De publieke ruimte wordt „ecologisch” ingericht: bomen en planten helpen dan bij verkoeling, groene gebieden zijn waterafvoer in natte periodes, en door die gebieden te verbinden, krijgen dieren ruimte. Zo wil Den Haag „een natuur-inclusieve stad” worden.

Egels en mensen

En nee, zegt ook wethouder Hilbert Bredemeijer (Buitenruimte, CDA), dat staat niet haaks op de druk op de openbare ruimte die er is in de stad. „Je hoeft niet te kiezen tussen vleermuizen, egels en libellen en de mens. In al die woningen wonen mensen die ook willen leven, en in een leefbare stad is natuur onmisbaar.”

Maar er is spanning. Want de mens wil langs het fietspad liefst geen dichtbegroeide struiken en wél lantarenpalen. Maar het dier heeft baat bij plekken om te broeden en donkere nachten. De duinen willen stuiven, maar de fiets, kinderwagen, rolstoel en rollator blijven haken in het zand. De mens wil zijn hond uitlaten. En de stadsecoloog zegt dan: „Al die uitwerpselen hè.”

Foto’s David van Dam

Van den Hoorn en Vogelaar leiden wethouder Bredemeijer rond door het plantsoen. Vogelaar vertelt dat het best een strijd was om er een ecologisch verantwoord gebied van te maken. Architect W.M. Dudok maakte hier na de oorlog van de Haagse Beek, die de Hofvijver naast het Binnenhof voorziet van water, een park met vijverpartijen.

„Buurtbewoners zeiden: ‘Het zag er zo netjes uit met het gazon’. We moesten ze echt overtuigen”, zegt Vogelaar. Want de oever is niet meer hard afgesneden, maar natuurlijk, zodat dieren op en af kunnen klimmen. Er staan brandnetels. Vogelaar: „Wist je dat daar vijf soorten vlinders op afkomen?” Van den Hoorn: „Het beheer moet ook anders. Je wilt niet een aannemer die lekker goedkoop en efficiënt alles wegmaait, maar een die maatwerk levert.”

Lees ook over bomenkap in Den Haag: Kap monumentale bomen Scheveningseweg begonnen

Bomenkap

Dat betekent – ook voor bermen en ruigtes – dat bij een maaibeurt een deel van de planten blijft staan zodat insecten voldoende voedsel en schuilplekken houden. Ook wordt er terughoudender gesnoeid. Over bomenkap staat overigens niets in de nota Stadsnatuur, een onderwerp waarover Hagenaars zich vreselijk opwinden, daarover komt komend jaar een andere nota. Veel Hagenaars vinden dat de gemeente té veel en té gemakkelijk kapt.

Bredemeijer noemt dat betrokkenheid. Dat is goed, zegt hij: „Ze hebben het gevoel dat Den Haag een groene stad moet zijn.”

Bij het plannen van nieuwe woonwijken wordt straks de buitenruimte van tevoren betrokken, zoals voor de bouw ook moet worden nagedacht over sportvelden en scholen, vindt de wethouder die ook sport en onderwijs in zijn portefeuille heeft.

Dat ging volgens hem mis op de Binckhorst, het voormalige industrieterrein dat een woonwijk wordt. „In plaats van de blinde ambitie ‘we moeten groeien’, moeten we van tevoren denken aan de leefbaarheid.”

Projectontwikkelaars krijgen al de opdracht natuur-inclusief te bouwen, bijvoorbeeld door groene daken aan te leggen en in elk geval door dier- en plantensoorten te beschermen. Daarvoor bestaat een puntensysteem: hoe meer punten, hoe meer kans de opdracht binnen te halen. Het is, zo staat in de nota, een primeur in Nederland.

Groene trambanen

Zelfs de trambanen worden ingezet bij het plan een natuur-inclusieve stad te worden. Bijna dertig kilometer rails ligt in het gras en vormt een groen lint voor insecten.

Stadsecoloog Van den Hoorn: „Den Haag is groener dan veel mensen denken.” Bredemeijer: „Je ziet het op mooie dagen als nu: er zijn hier zoveel parken en iedereen gaat naar hetzelfde stukje strand.”

Zijn favoriete groene plek is het bos bij Ockenburgh, als daar in het voorjaar de hyacinten bloeien. Van den Hoorn raadt heempark De Heimanshof aan, in het Zuiderpark, waar alle typisch Nederlandse landschappen zijn te vinden. „Een pareltje”, zegt Vogelaar, die zelf kiest voor de duinen van het Westduinpark.

Elk groengebied krijgt een eigen werkplan. En als het budget onbeperkt zou zijn, zouden de stadsecologen wel voor ieder gebied één eigen tuinman willen hebben. Van den Hoorn: „Iemand die met een ecologische blik kijkt en weet ‘oh, die kale plek is belangrijk omdat er wilde bijen kunnen zitten’.” Maar extra geld moet nu eerst naar de verstikkende Japanse duizendknoop, die door beton kruipt, niet weg te krijgen is, en overal verschijnt.