Recensie

Recensie Beeldende kunst

Vrouwen om nooit meer te vergeten

Kunst van vrouwen Op de tentoonstelling Fantastic Women is het werk van 36 vrouwelijke kunstenaars uit elf landen samengebracht. Velen zijn nauwelijks bekend, maar ze verdienen allemaal een solotentoonstelling.

Leonor Fini: Chtonian Deity Watching over the Sleep of a Young Man, 1946,
Leonor Fini: Chtonian Deity Watching over the Sleep of a Young Man, 1946, Foto Weinstein Gallery/Francisco and Francis Naumann Gallery

Omdat ik de weg niet kan vinden in het prachtig aangelegde, maar breed uitgestrekte museum Louisiana aan de Deense kust, loop ik in een zaaltje op tegen een gefilmd interview met Per Kirkeby, schilder, beeldhouwer van bakstenen en bronzen hompen. Ik zie een tanige man die zich uitspreekt tegen schoonheid: „Als mijn vrouw een werk mooi vindt, dan schep ik er plezier in om bij de lunch te kunnen zeggen dat ik het heb vernietigd.”

Er zijn meer van zulke kunstenaars. Makers van intimiderende kunst die je mag ondergaan maar niet mag duiden. Als de dood voor huiselijkheid. Voor wegdromen. Voor verhaaltjes. Voor meisjesheid. Voor mooi. Voor vrouwelijk, tenzij als objet du désir.

En precies dat zie ik gebeuren als ik de tentoonstelling Fantastic Women heb gevonden. Er doemt een zelfportret op, een slapende meisjesjongen opgekruld op een kastplank (Claude Cahun, 1932). Een doek met een minutieus gepenseelde collectie visioenen (Leonora Carrington, 1945) van angsten en verlangens. Een dromerig filmfragment vol associaties en bezemende kamermeisjes (Germaine Dulac, 1927).

Ik zie werken over vrouw zijn, desgewenst sexy en sensueel, zónder ‘vervuiling’ door de male gaze. Romantisch? Gevoelig? Gedroomd? Geen probleem. Sexy? Ook ja. Of helemaal niet. Female gaze? Uiteráárd. Romantiek wordt een mystieke ervaring onder de penselen van Dorothea Tanning en lust een spreeuw met gespreide vleugeltjes op een doek van Jane Gaverol.

Bridget Tichenor: The Surrealists/The Specialists, 1956

Privé-collectie

Erotisch instrument

Fantastic Women presenteert 36 kunstenaressen uit elf landen. De ondertitel, ‘Surreal worlds from Meret Oppenheim to Frida Kahlo’, werft uiteraard met deze grote namen, er moet publiek getrokken worden en dat doe je met de sensationele Mexicaanse Frida Kahlo. Ze was in de vergetelheid geraakt, is inmiddels een superster après la lettre, met een sensationeel leven dat ze afbeeldde op haar sensationele schilderijen. Ook Louise Bourgeois trekt, na decennia nauwelijks opgemerkt te zijn, gegarandeerd veel bezoekers. Aan dat lijstje kan Dora Maar worden toegevoegd, na haar recente retrospectief in het Centre Pompidou in Parijs en de Tate in Londen. Die drie zijn uitvoerig vertegenwoordigd, maar het merendeel is minder tot onbekend. En geloof me, ze verdienen állemaal een solo.

Fantastic Women kiest voor het surrealisme als leidraad, om greep te krijgen maar denkelijk ook omdat het in een extra, eigen gebrouwen werkelijkheid voor vrouwen floreren geblazen is. Dan krijg je Emilia Medková en haar stoere fotocollages. Of de performance van Sheila Legge die op Trafalgar Square rondliep met haar hoofd in een stolp van rozen. Of neem Bridget Tichenor (ooit van gehoord? Ik ook niet). Rond 1956 schilderde ze twilight zones vol schemeringen van de ziel, zich unverfroren vergrijpend aan het werk van Jeroen Bosch.

Al die vrouwen hebben waanzinnige biografieën, maar komen ze ter sprake dan is dat doorgaans als minnares en muze van een erkende grootheid. Frida Kahlo van muralist Diego Rivera. Dora Maar van Pablo Picasso. Lee Miller van Man Ray. Meret Oppenheim van Max Ernst. Maar háár werk, ‘Le Déjeuner en fourrure’ (een kop en schotel in een bontvachtje, 1936) wordt aangekocht door het Museum of Modern Art in New York en het zijne niet. Hij reageert weinig gul, met een catalogustekst waarin hij haar toespreekt als „kleine Meret”.

Onwillekeurig denk ik aan de Groningse Ploeg-schilderes Alida Pott (1888-1931). Geen surrealiste, wel een veelzijdig avant-gardiste. Na haar dood borg haar echtgenoot, de schilder George Martens, haar werk op. Gissen waarom heeft geen zin, maar het gevolg was dat Alida Potts schilderijen vele jaren lang eenvoudigweg niet meer bestonden. Ik wacht op een retrospectief, het Groninger Museum heeft het beloofd.

Voor de surrealisten, sinds de vroege jaren twintig onder leiding en knoet van de dichter André Breton, waren vrouwen een erotisch instrument, niet veel meer. Voor de lens van Man Ray valt fotografe Lee Miller samen met wat haar schoonheid hem doet en is Meret Oppenheim een naakte etalagepop. De koortsachtige tekenares Unica Zürn is een ingesnoerde pop van Hans Bellmer. De enige vrouw die de surrealisten serieus nemen is Rrose Sélavy. Zij is een man, namelijk Marcel Duchamp in japon, bontje en hoed. Hij bedacht haar, haar naam beduidt ‘Eros c’est la vie’.

Ik wantrouw mannen die zich als vrouw verkleden. Ik proef dedain, vooral als ze zeggen dat ze het uit bewondering doen. Echte vrouwen mogen niet meedoen en nooit komt er meer uit dan een hatelijke persiflage.

Authentieke denkers

Dan zijn de experimenten van fotografe Claude Cahun een stuk interessanter. Zij wisselde van gender. Ook poseerde ze als vrouw en man tegelijk, met als hoogtepunt haar zelfportret I am in training… Don’t kiss me (1927) .

De muzes, gemiddeld een generatie jonger dan de mannen, willen best muze zijn, maar als kunstenaar beginnen ze voor zichzelf, met eigen kunstwerken. Vaak met elkaar en hun vriendschap als onderwerp of model, want ze waren bevriend. Meret Oppenheim met Leonor Fini. Fini met Leonora Carrington. Carrington met Lee Miller. Claude Cahun met Dora Maar. Enzovoorts. Frida Kahlo is een brandpunt van contacten. Met haar schilderij Ballade van Frida Kahlo (1956) bezingt Alice Rahon hun relatie via een nachtblauwe stad met een vermoeden van een ijle kermis. Ze creëren met hun kunst eigen werelden waar ze van alles zien en weten, met opgetogen resultaten.

Claude Cahun: Self-portrait (I am in Training… Don’t Kiss Me), circa 1927

Privé-collectie

Vergeleken met de mannelijke surrealisten gaan de kunstenaressen opvallend ontspannen om met naakt, sensualiteit, erotiek. Seks en lust zijn een belangrijk onderwerp. Frustratie ook, niets menselijks is de vrouwelijke kunstenaar vreemd. Maar amechtige seksualiteit of geamputeerde genitaliën, zoals in de schilderijen van de Nederlandse surrealist Joop Moesman, zegt hun weinig. Naakt kan erotisch zijn, zie het schilderij van de slanke naakte, slapende jongeman van Leonor Fini. Maar naakt kan veel meer, voorbeelden te over.

Codes of programma’s of hoe-heurt-het-eigenlijk bij de surrealisten, daar doen de vrouwen niet aan. Ze onderwerpen figuratieve kunst aan abstractie. Omgekeerd is geen abstract werk veilig voor een concrete figuur. Ze zijn authentieke denkers. Zo begeeft Leonora Carrington, opvolger van Meret Oppenheim als muze en minnares van Max Ernst, zich in een volstrekt originele binnenwereld. Haar oeuvre lijkt op snapchat, met instant visioenen en mythische fantasieën vol spitse dieren, en zijzelf in de hoofdrol.

Ithell Colquhoun, Tree Anatomy, 1942

Foto The Sherwin Collection

Privé-collectie

Zesendertig kunstenaars is veel, het zou genoeg moeten zijn. En toch ontbreekt er een. Ik mis barones Elsa von Freytag-Loringhoven. Zij was minstens twee generaties ouder dan deze 36, maar de oermoeder van het surrealisme. Zich extreem bewust van haar vrouwelijkheid en een niet te onderschatten voorloopster. Ze was de uitvindster van de performance als kunstvorm (aan haar provocerende acts kan zowel Marina Abramovic als Yoko Ono nog een puntje zuigen) met een onvermoeibare inzet van het naakt. Haar eigen naakt, dan. In de mannenwereld die haar wegzette als vreemd, bitchy en afstotelijk, eiste ze radicaal haar plaats op, inclusief agressief benaderen en zo mogelijk inlijven van talentvolle mannen. Muzen dus, voor seks en adoratie. Ze is hier alleen al onmisbaar omdat het aannemelijk is dat zíj het genie was achter Fontaine (1917), het befaamde omgekeerde urinoir bij wijze van kunstwerk, en niet Marcel Duchamp. Waarmee het een vrouw was die begon met ready-made, dada en surrealisme.

Maar haar 36 opvolgsters maken alles goed. Fantastic Women is een luisterrijke tentoonstelling. De reis waard, wat moeilijk is met de Covid-19-pandemie. Maar smullen van het bijbehorende dikke boek is een oplossing. Hoofdstuk één besluit met het voornemen: „…deze vrouwen zullen niet opnieuw vergeten worden”. Bedoeld wordt uiteraard: „deze kunstenaars”.