‘Je zult er nooit meer bijhoren, ook al kom je er vandaan’

Over Indië De laatste Nederlandse ooggetuigen vertellen over het leven in de kolonie. Deze week: Elizabeth van Kampen (1926, Helmond).

Elizabeth van Kampen ‘Nee, we zijn niet lief geweest in Indië.’
Elizabeth van Kampen ‘Nee, we zijn niet lief geweest in Indië.’ Foto Frank Ruiter

‘Ik ben opgegroeid in Oost-Java. Ik herinner me vooral de bergen rond Malang, en de lange wandelingen met mijn vader. Heerlijk! Mijn ouders waren toen ik anderhalf jaar was naar Nederlands-Indië vertrokken. Mijn vader was eigenlijk boordwerktuigkundige, zeeman dus, maar daar was hij verantwoordelijk voor alle technische dingen op verschillende plantages. Hij was daar gelukkig. Het is supermooi daar! Ik ben teruggeweest toen ik 66 was en het was nog net zo mooi.

Ik was in de kost in Malang vanaf mijn achtste jaar. Daar word je flink van. Het ene gezin sloeg je, het andere was lief, de derde was vreselijk chagrijnig; zo heb ik allerlei mensen ontmoet. Toen ik naar kostschool ging op mijn dertiende was dat voor mij veel leuker. Kattekwaad uithalen bij de zusters Ursulinnen. Als mijn vader dan langskwam, nam hij me mee naar Toko Oen, een restaurant waar iedereen kwam. Toen ik later ging kijken, ben ik ook nog even op mijn oude plekje in de kerk gaan zitten. En de mensen waren echt heel aardig: ze pakten me bij mijn pols en bedankten me. Mijn vader kenden ze ook nog: „Ah! Tuan Pan Kampen!”

Indonesiërs waren arm, hoor. Ze hebben nooit veel verdiend. Ze leefden van centen. Dat liet mijn vader wel eens zien, want hij was erg sociaal. Hij zei: „Dit is toch triest dat wij dat durven. De mensen zo weinig te betalen.” Ik weet precies wat de mensen betaald kregen, ze waren dagloners. Mijn vader nam tijdens een vakantie mijn zus en mij mee om koffie te plukken. Dat vonden we fantastisch. „Krijgen we dan ook geld?” „Ja, dan worden jullie betaald”. We droomden al van alle dingen die we bij de Chinese winkel gingen kopen. Nou, we kregen iets van twee cent. Hij zei: „Dat is wat de mensen ook verdienen.” Hij verdiende toen zelf 400 gulden per maand.

Elk weekend was ik thuis. We hadden vier of vijf mensen personeel. Nee, geen chauffeur, want mijn vader reed zelf. Ze kwamen niet aan zijn auto: hij had een Hudson (een Amerikaanse slee, red.) en daar sleutelde hij ook zelf aan. Als ik thuis kwam stond mijn paardje al bij het hek te briesen.

Ik was zestien toen ik met mijn twee zusjes en mijn moeder werd opgesloten door de Japanners in Banjoebiroe kamp 10.

De vrouwen in het kamp klaagden veel over de vernedering en die rotjappen. Het kamp was ontzettend. Maar als je jong bent, ben je snel moe van dat gemopper. Ook daarom meldde ik me voor de sjouwploeg. Ik heb iedere dag hard moeten werken, maar ik was buiten. Ik kon de bergen zien. Dat zei ik ook tegen mijn moeder, die wilde dat ik in de keuken werkte zodat ik genoeg te eten had.

We hoorden pas na de oorlog dat mijn vader op een verschrikkelijk wrede manier is vermoord door de kempeitai, de Japanse geheime politie. Daarom was ik ook teruggekeerd om dat uit te zoeken. Eigenlijk vond ik dat het ergste van de hele oorlog, dat ik mijn vader was kwijtgeraakt.

Ik zag de Indonesiërs altijd als vrienden. En na de oorlog stond daar in ene een vijand. Later realiseerde ik me dat we daar natuurlijk wel driehonderd jaar mensen hebben onderdrukt. We hebben daar veel winst gemaakt, en weinig gegeven. Nee, we zijn niet zo lief geweest in Indië.

Indonesië is zo veranderd dat we daar niet meer inpassen. Zeker niet als dochter van een vroegere onderdrukker. Ze zijn uitgesproken vriendelijk tegen je hoor, maar door het verleden zul je er nooit bij horen, ook al kom je er vandaan.’