Foto Pieter van der Meer

Interview

‘Ik wil geen neoliberale vormgever zijn’

Bas van Beek Vijf grote musea nodigden ontwerper en kunstenaar Bas van Beek uit voor exposities. Hij droomt nu van een opdracht van De Efteling.

In het hart van de Afrikaanderwijk, een van de meest internationale wijken van Rotterdam, is dierenspeciaalzaak Pretoria gevestigd. Toko Johnny is een paar deuren verderop, aan de overkant is Privéhuis Climax – ‘Girls Girls Girls’ schreeuwt de lichtkrant op de gevel.

Tussen de kauwsnacks voor de hond en het biologisch parkietenzaad biedt Pretoria sinds kort ook stilletjes de nieuwste creaties van ontwerper en kunstenaar Bas van Beek aan: vijf kleurrijke aquariumbeelden van polyesterhars, ‘Made in China’. Het zijn de eerste producten van zijn Op Zuid-collectie.

De sculpturen verdwijnen tussen de scheepswrakken, schedels en andere met koraal en zeesterren overwoekerde onderwaterbeelden in het rijke assortiment van Pretoria. Alleen bezoekers met kunsthistorische kennis zullen de anoniem aangeboden Van Beek-beeldjes mogelijk herkennen als vrije bewerkingen van hoogtepunten uit de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. Is dat niet de Schroefboog van Claes Oldenburg, het grote beeld uit de museumtuin? En hebben we daar niet de beroemde ‘lustopwekkende’ kreefttelefoon van Salvador Dali, het surrealistische topstuk van het Rotterdamse museum?

De schroef en de telefoon (beide 36,50 euro) zijn „hardlopers”, zegt verkoopster Brenda. „Vissen kunnen onder de schroef door zwemmen en de telefoon spreekt kinderen aan.” Minder in trek, zegt ze, zijn een donkerblauw met schelpen overgroeid mannenhoofd getiteld Sjarel Ex en Joris en de biopik. De laatste sculptuur is een ridder te paard die zijn lans heeft gestoken in een met schelpen overgroeide draak, een monster waarin kenners mogelijk de enorme penis-sculptuur van Joep van Lieshout herkennen uit de museumtuin. Brenda: „Een paard onder water? Dat beeld heb ik pas één keer verkocht, aan iemand die het in de vensterbank wilde zetten.”

Twee aquariumbeelden van Bas van Beek: Sjarel Ex (links, €36,50) en zijn versie van de Screwarch van Claes Oldenburg (rechts, € 31,50). Foto Pieter van der Meer

65-plus-mevrouw

De aquariumbeelden maken deel uit van een door Van Beek opgezet project. Museum Boijmans is een jaar of tien dicht wegens renovatie. Hoe kan de collectie tijdens de verbouwing zichtbaar, bruikbaar en verkoopbaar worden gemaakt, vroeg hij zich af in een gesprek met een conservator van Boijmans. En dat voor een nieuw publiek, benadrukt Van Beek. „De gemiddelde museumbezoeker is een witte, hoogopgeleide 65-plus-mevrouw. Ik wil juist mensen bereiken die nog nooit in Boijmans zijn geweest.”

Lees ook:Interview met de directie van Museum Boijmans over de verbouwing

Die denkt hij te vinden in de Afrikaanderwijk, een buurt op de zuidoever, in het stadsdeel Feijenoord. Daar wonen veel Surinamers, Turken, Marokkanen en Antillianen en nog slechts enkele oorspronkelijke, voornamelijk oudere Rotterdammers. Van Beek: „Sommige bewoners moeten zien rond te komen van 70 euro in de week. Voor een avondje uit of een aquariumbeeldje moeten ze sparen.”

Met subsidie van twee fondsen wil Van Beek de wijkbewoners de komende tien jaar ongemerkt met kunst in aanraking brengen. De beeldjes in de dierenspeciaalzaak vormen het begin van zijn plan. Binnenkort volgen gordijnstoffen waarvoor hij steeds twee patronen van kunstwerken uit de Boijmans-collectie combineert tot een nieuw dessin, en een serie kerstballen, onder meer gebaseerd op een sculptuur van de Duitse kunstenaar Martin Kippenberger en een vaas van keramist Jan van der Vaart. Van Beek werkt aan een kattenkrabpaal waarvoor een beeld van de Italiaanse ontwerper Ettore Sottsass het uitgangspunt vormt, en aan autovelgen die hij modelleert naar andere collectiestukken van Boijmans. Om de winkeliers en ondernemers in de Afrikaanderwijk te steunen, mogen zij de Op Zuid-collectie exclusief verkopen.

Gereedschapskist

Iedere ontwerper en kunstenaar staat op de schouders van voorgangers. Maar bij weinigen is de geschiedenis zo zichtbaar als bij Bas van Beek (1974). De oud-student van de Willem de Kooning Academie is een zogenoemde appropriation artist, een kunstenaar die werkt met bestaande objecten of afbeeldingen. Van Beek kopieert bewonderde kunstwerken en maakt er dan door een toevoeging of uitbreiding een nieuw werk van, vaak met een knipoog. Een bekende stapelbare vaas van Jan van der Vaart voorziet hij jaarlijks bijvoorbeeld van een nieuw element gebaseerd op het werk van architect H.P. Berlage. Twee behangontwerpen van de vergeten Oostenrijkse ontwerper Dagobert Peche versmolt hij onlangs tot een nieuwe wandbekleding.

Geschiedenis, zegt Van Beek, is voor hem als een gereedschapskist, een middel om vooruit te komen. En dan met een lach: „Ik ben eens een koekoek genoemd. Ik gebruik het nest van een ander om een ei uit te broeden.”

Van Beeks aanpak valt in museale kringen in de smaak. Zijn werk is goed vertegenwoordigd in openbare collecties en hij is een van de meest gevraagde ontwerpers en kunstenaars van het moment. Vijf grote Nederlandse musea klopten recentelijk bij hem aan. Het Stedelijk Museum Amsterdam vroeg hem te helpen met de inrichting van de eind juli geopende wonententoonstelling Van Thonet tot Dutch Design. Met een aantal opvallende interventies, waarbij hij steeds een spel speelt met designklassiekers, drukte Van Beek zijn stempel op de expositie.

Voor de coronaproof Drive-thru Boijmans-tentoonstelling in Ahoy (nog t/m zondag 23 augustus) maakte hij van gestapelde aquaria een piramide gevuld met zijn onderwaterbeeldjes. In december opent in het Kunstmuseum Den Haag een overzicht van zijn glas- en keramiekontwerpen, en in het Van Abbemuseum in Eindhoven een tentoonstelling met de resultaten van zijn langjarige onderzoek naar de Deense ontwerper Verner Panton, in combinatie met schilderijen van de Oostenrijkse grootmeester Gustave Klimt. In voorbereiding, ten slotte, is nog een tentoonstelling in het Van Gogh Museum.

Kerstbal van Bas Van Beek, naar sculptuur van Jan van der Vaart.
Foto Pieter van der Meer
Kerstbal van Bas Van Beek, naar sculptuur van Martin Kippenberger.
Foto Pieter van der Meer
Kerstbal van Bas Van Beek, naar sculptuur van Martin Kippenberger.
Foto Pieter van der Meer
Kerstballen van Bas van Beek
Foto’s Pieter van der Meer

Opluchting

Van Beek is blij verbaasd dat musea voor hem durven te kiezen. Hij las net de biografie van Martin Kippenberger, de tegendraadse Duitse kunstenaar. Pas na zijn dood kreeg Kippenberger in zijn vaderland zijn eerste museale tentoonstelling. Van Beek met een lach: „Dat gaat mij dus niet meer gebeuren.”

De vele opdrachten en tentoonstellingen luchten hem ook op. Eindelijk gaat het hem goed als kunstenaar. Tot voor kort had hij elk jaar wel een moment waarop hij overwoog iets totaal anders te gaan doen. De kunstmarkt voorzag naar zijn overtuiging immers niet in mensen zoals hij. Hij is niet zo’n ontwerper uit Eindhoven die dure meubels in kleine oplagen maakt, gefabriceerd in wat hij „de sweatshops voor de welgestelden” noemt.

Net als William Morris, de negentiende-eeuwse Britse ontwerper van de arts-and-craftsbeweging, wil Van Beek met dagelijkse gebruiksvoorwerpen kunst democratiseren. „Morris wees er al op dat dure kunst voor tweedeling zorgt en daarmee schadelijk is voor de maatschappij. Vormgevers en kunstenaars moeten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.”

Om een zo groot mogelijk publiek te kunnen bereiken streeft Van Beek er daarom naar zijn ontwerpen zo goedkoop mogelijk te maken. Dat heeft consequenties, zegt hij: „Je moet mijn aquariumbeelden ook niet in het museum op een sokkel zetten en er interessant over gaan doen.”

Hij heeft ook nooit zijn best gedaan om een merk te worden. „Ik wil geen neo-liberale vormgever en kunstenaar zijn met het wereldbeeld van een kruidenier. Nieuw werk lijkt bij mij nooit op het vorige. Als je succes hebt, zei Wim T. Schippers al, wordt van je verwacht dat je nog een keer hetzelfde doet. Voldoe je daar niet aan, dan heb je een probleem, ben je niet herkenbaar meer.”

Zijn verlangen om een zo groot mogelijk publiek te bereiken, spreekt ook uit Van Beeks antwoord op de vraag naar gedroomde opdrachten. Net als William Morris zou hij graag eens het interieur van een trein ontwerpen. Maar het liefste misschien nog wel, zegt hij, een nieuwe Efteling-attractie. Vijf miljoen pretparkbezoekers ongemerkt een artistieke ervaring laten ondergaan, kan het mooier?

Zie ook: basvanbeek.com