Opinie

Genades

Ellen Deckwitz

Het schijnt momenteel vrij warm te zijn en dus gaan mijn zus en ik elke dag bij onze oudoom Karel (104 o.i.d.) langs om te kijken of hij nog niet aan het ontbinden is. „Jullie overdrijven”, zei hij gisteren boos toen we hem de zoveelste koelsjaal omknoopten, „Ik kan prima tegen de hitte, ik ben nota bene in de tropen opgegroeid.”

„Ja maar toen was je nog jong”, zei ik.

„Het is in Nederland momenteel warmer dan in Bandung”, zei mijn zus, „dus je moet…” – en toen kwam er van buiten een enorm kabaal, alsof de F-Side een schreeuwwedstrijd aan de grachten hield.

„Wat is dat?”, zei mijn zus chagrijnig.

„Dat is de zomer”, zuchtte oom Karel. Buiten zagen we een sloep met stuiterende jongeren en dreunende muziek. Toen de boot de brug naderde, begonnen ze gezamenlijk te brullen, zoals kleuters het op een krijsen zetten in een tunnel, verrukt dat ze hun bestaan door de akoestiek nog beter kenbaar kunnen maken.

„Ze gebruiken de grachten als een soort Duinrell”, zei Karel, „en dat brugschreeuwen is een nieuwe rage. Het gaat tot diep in de nacht door.”

Dat moet zwaar zijn voor iemand met zo’n scherp gehoor als hij. Die hoort het nog als een huisstofmijt de hik heeft.

„Dus nu loop je constant met oordopjes in?”, vroeg mijn zus.

‘Nee joh, dat kost geld. Als het te erg wordt”, zei Karel, „dan pak ik deze er gewoon bij.” Hij haalde een van zijn antieke kruisbogen van de muur. Mijn zus en ik wisselden een verontruste blik uit. Karel plaatste het wapen voorzichtig op zijn schoot, als een gekoesterd huisdier.

„En dan”, vervolgde hij, „bedenk ik dat ik een goed persoon ben. Ik zou al die lawaaiapen ook gewoon de stuipen op het lijf kunnen jagen door een paar pijlen in hun boeg of geluidsinstallatie te schieten. Die bootjes gaan lekker traag, dus je hebt tijd genoeg om ontspannen aan te leggen en te richten. Natuurlijk dóé ik het niet, maar de mogelijkheid is balsem voor de ziel.”

Ik zag mijn zus even twijfelen of ze de afdeling psychogeriatrie van het OLVG moest bellen, maar Karel scheen zo kalm dat hij ergens nog toerekeningsvatbaar leek.

„Vinden jullie het geen heerlijk gedachte?”, zei hij na even voor zich te hebben uitgemijmerd. „Al die brullers op het water, en maar stoer doen, en allemaal geen idee hoezeer ze aan andermans genade zijn overgeleverd.” Teder streelde hij het donkere kruisbooghout terwijl er een bootje voorbijdreef, vol stampende en uitgelaten jongeren, geen enkel besef van hoe Karel op hen neerkeek, en hoe ontzettend gelukkig ze op dat moment wel niet waren.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.