Opinie

Waar macht is, is een lobby. Maar welke?

Bastiaan Rijpkema

Na de Europese top zijn de schijnwerpers alweer een tijdje op het nationale toneel gericht. De Europese Unie moet het hebben van piekmomenten. Minder aandacht is er voor wat er zich, tussen die tops, in de wetgevingsmachine van de EU afspeelt. Het Europa van alledag.

Over dat laatste verscheen vlak voor de ‘intelligente lockdown’ het boek Het lijkt Washington wel van Peter Teffer, onderzoeksjournalist bij Follow the Money. Een diepgaand verslag van het lobbycircuit in Brussel. Teffer documenteert die lobby minutieus, van defensie en landbouw tot het Roemeense EU-voorzitterschap dat, mede onder die vlag, een bijeenkomst over een „koolstofarm Europa” laat organiseren door de nucleaire lobby. Wat het boek aantrekkelijk maakt, is dat het geen hitjob is, terwijl zijn materiaal hem soms vast in de verleiding moet hebben gebracht. Teffer blijft zakelijk: lobbyen is niet verkeerd, de enorme voorsprong van bedrijfsbelangen binnen de EU wel. Het boek werd opgepikt in de Volkskrant en kreeg onlangs een mooie recensie in NRC (30/7), maar verder bleef het vrijwel stil.

Natuurlijk, ook zonder coronacrisis is aandacht vragen voor het taaie EU-wetgevingsproces geen sinecure. Toch verdient het een groter publiek. Het boek van Teffer gaat over een wezenlijk vraagstuk: wie heeft toegang tot de macht? Teffer richt zich vooral op feiten, niet zozeer op theorie. Die wordt kort samengevat: gefluister in de Romeinse lobia of de Engelse lobby, de antichambre of wachtruimte – het was er altijd al. Maar waarom?

Op dat punt schoot een tekst van de controversiële Duitse rechtsfilosoof Carl Schmitt door mijn hoofd. Schmitt is een invloedrijke, maar ook diep problematische figuur vanwege zijn verregaande collaboratie met het NSDAP-regime vanaf 1933. Studies over hem dienen daar rekenschap van te geven. In het uitvoerige academische debat over zijn werk gebeurt dat. Daarbuiten gaat dat niet altijd goed. Zo is het nogal opmerkelijk dat uitgeverij De Blauwe Tijger het presteerde in 2017 een vertaling van Schmitts Land en zee uit te geven zonder enige context, alsof het een doorsnee denker is. Zoals een hoogleraar het eens op een conferentie verwoordde: „Je hoeft niet op élke pagina te schrijven dat Schmitt een nazi was, maar het helemaal niet noemen is wel het andere uiterste.”

Maar dat was niet de tekst waar ik aan moest denken. In 1954 publiceerde Schmitt een dialoog die gelezen kan worden als een ‘kleine theorie van de lobby’. Het Gesprek over de macht en de toegang tot de machthebber is een wat obscure tekst; de kiem ervan ligt in Schmitts antwoorden tijdens zijn naoorlogse verhoor, gevangen in Neurenberg.

Schmitt betoogt dat een machthebber zijn of haar macht nooit volledig kan bezitten. Elke machthebber komt terecht in een genadeloze wisselwerking tussen de macht die hij uitoefent en zijn eigen onmacht om die uit te oefenen. De werkelijkheid is te complex; geen mens kan die geheel overzien. Het ironische lot van de machthebber: zelfs al wil een machthebber zijn macht alleen aanwenden in zijn eigenbelang, hij is daarbij altijd afhankelijk van anderen – die daarmee ook deelnemen in zijn macht.

En dat is precies waar de lobby verschijnt. Overal waar macht wordt uitgeoefend, vormt zich direct een voorkamer, aldus Schmitt. Een ‘lobby’ dus. Daar wordt de strijd „om de toegang tot het oor” gevoerd, wetende dat de machthebber zijn macht nooit in isolement kan uitoefenen. Menselijke macht zonder lobby is onmogelijk. Je kunt de voorkamer hoogstens reguleren; kwijtraken kun je hem nooit. Het is een fundamenteel vraagstuk waar niet te simpel over gedacht moet worden, waarschuwt Schmitt. Teffers boek laat zien hoeveel werk we binnen de EU nog te verzetten hebben.

Bastiaan Rijpkema is jurist en rechtsfilosoof. Hij vervangt op deze plek Maxim Februari, die vakantie heeft.